BG 193 – Bru Taal

Bru Taal en haar broers Rekenenen en War zitten op de lagere school.
Ze worden thuis streng opgevoed en hebben geleerd dat ze niet alleen geen grote mond tegen volwassenen mogen opzetten, maar eigenlijk helemaal niet met ze mogen praten. In plaats daarvan moeten ze ergens rustig gaan spelen en de volwassenen niet lastigvallen.
Maar Bru begrijpt niet wat er zo ‘lastig’ is aan een onschuldig gesprekje en waarom ze geen deel mag uitmaken van dezelfde wereld als de volwassenen. Het is toch de bedoeling dat ze er ooit zelf een wordt?

Bru neemt aan dat de leraren op school een uitzondering vormen op de regel. Ze zal toch moeten antwoorden als die haar een vraag stellen. Oh ja, wacht, dat is ook zo, ze mag wel – moet zelfs – antwoorden als een volwassene haar een vraag stelt! Maar ze moet wel goed oppassen wat ze zegt, want niet alles wat er bij haar thuis gebeurt of gezegd wordt is bestemd voor andermans oren.

Voor haar leeftijd voelt ze vrij goed aan wanneer ze een antwoord wel of niet hardop mag uitspreken. Desondanks vindt ze het moeilijk om zoveel van haar gedachten en emoties verborgen te moeten houden.
Het moeilijkst vindt ze dat ze ook moet zwijgen wanneer een volwassene, zoals een leraar op school, iets zegt wat duidelijk niet klopt. Bijvoorbeeld als de leraar een leerling beschuldigt van iets wat ze niet gedaan heeft. Dan wil ze er nog wel eens een onbedoeld maar duidelijk ‘Ja maar…, dat is niet waar!’ uitgooien.

En als de leraar zich dan boos tot haar wendt en, net als haar ouders, zegt dat ze haar mond moet houden, dan loopt haar gezicht soms rood aan en springen er tranen in haar ogen, terwijl ze het niet kan laten om te stellen ‘Ja maar….!’, waarop de leraar haar, net als haar ouders, afkapt en haar een boos ‘Hou je grote mond!’ toewerpt.
‘Ja maar….’ loopt haar verontwaardiging dan toch nog over.
Kijk, ze kunnen haar thuis wel geleerd hebben braaf haar mond te houden, maar soms moet je tóch, of het nu wel of niet mag, moet je tóch iets zeggen, zoals ‘Ja maar dat is niet eerlijk!’

Waarop ook het gezicht van de leraar rood aanloopt, hij naar de deur van het lokaal wijst en, boos speeksel rondspetterend, roept: ‘Bru Taal, ga jij maar op de gang staan!’
‘Eh, ja meester.’
‘Hou je grote bek!’
Zachter: ‘Ja, oké…’
Hij, luider: ‘Hou verdomme je grote bek!’
Ze schaamt zich over het naar de gang gestuurd worden, vooral als ze bedenkt dat het haar ouders ter ore zal komen en ze er thuis nogmaals voor gestraft zal worden. ‘Dat zul je wel dubbel en dwars verdiend hebben!’
Maar dat ‘Hou je grote bek!’ doet haar niets meer. Dat heeft ze al heel haar leven moeten aanhoren. Ze is oud genoeg om te begrijpen dat dat de onmacht van volwassenen is, van haar ouders is.
Haar ouders die geen benul hebben van wat er in haar omgaat en dat ook helemaal niet willen weten. Haar ouders die willen dat ze zwijgt en gehoorzaam is.
Die haar hardhandig willen duwen in een mal waar ze helemaal niet in past.

Bru is eigenlijk helemaal niet brutaal. Ze verdraagt gewoon geen onrechtvaardigheid.