BG 219 – Zinvol

Hij had haar gevraagd of ze na afloop van de groepstherapiesessie nog even tijd had voor een een-op-eengesprek met hem in zijn kantoortje en ze had gedacht ‘druk, druk, druk’ en gezegd ‘natuurlijk, geen probleem, ik kan wel een bus later naar huis nemen’, en daar zaten ze nu dus; hij had voor hen elk een kopje thee gehaald en een koekje, en hij vroeg haar wat ze van de sessie gevonden had en zij zei dat ze het goed had gevonden en dat er een aantal deelnemers veel baat bij gehad hadden, met name A en F, en dat zij zelf er ook wel wat van opgestoken had, en hij adviseerde haar om zich voortaan meer te focussen op haar eigen problemen, waarop zij, nadat ze een hap van haar koekje had weggekauwd, verbaasd vroeg wat hij daarmee bedoelde, en hij haar uitlegde dat hij de indruk had dat ze telkens van minstens drie mensen tegelijk in de gaten had gehad wat er in hen omging, hoe ze in hun vel zaten, wat ze zeiden, fluisterend of luidop, en zelfs wat ze nog niet zeiden, maar waarschijnlijk wel graag hadden willen zeggen, waarop ze bevestigde dat dat zo was, dat ze inderdaad alles om haar heen meekreeg, zonder daar bewust voor te kiezen: wat er in de hoofden van de anderen omging bijvoorbeeld en wat voor emoties ze voelden, al dan niet onderdrukt, waarna ze een slok van haar thee nam, en dat dat niet alleen opging voor de drie deelnemers die hij had genoemd, maar voor alle elf andere, en dat ze daarnaast ook doorhad wanneer er iemand ergens geschrokken op reageerde, of tranen in de ogen had gekregen, of afkeurend had gekeken, waarop hij in zijn thee roerend vroeg hoe ze dat voor elkaar kreeg, aangezien hun stoelen in een kring gestaan hadden, en ze zei dat ze het zag, maar soms ook gewoon voelde, opmerkte door een gedempte kuchel, een geschuifel op een stoel, een diepe zucht, dat ze daar niet bewust op lette, maar dat toch allemaal meekreeg, dat ze dacht dat dat normaal was, dat veel mensen dat zo beleefden, want dat dat zo haar hele leven al werkte, dat ze zich niet alleen bewust was van alles wat zich in de therapiegroep afspeelde en van hoe iedere deelnemer aan de groep op ieder willekeurig moment in zijn of haar vel zat, en van hoe lekker dit koekje was, maar dat ze ook sterk de aandrang voelde om hen te helpen, waarop hij zei dat ze zelf ook in therapie was en dat het toch eigenlijk de bedoeling was dat ze zich vooral met haar eigen problematiek bezighield, ondertussen dronk zij haar thee, en dat het zijn taak was, als ervaren therapeut, om de sessie aan te sturen, om te besluiten aan wie en aan wat op een gegeven moment aandacht werd geschonken en dat het niet nodig was dat zij hem steeds alert maakte op iemand die het moeilijk had of iemand die eigenlijk het woord wilde nemen maar zich daar niet toe kon zetten, ze at ondertussen al knikkend de rest van haar koekje op, dat ze hem niet hoefde aan te geven op wie hij op dat moment speciaal zou moeten letten, want dat dat zijn werk was, en ze zei na haar laatste slok thee dat ze dat ook niet met opzet deed, maar dat dat vanzelf ging, net als dat ze, terwijl ze gepassioneerd aan het groepsgesprek deelnam, ondertussen ook merkte wanneer er iemand in de gang buiten hun gesloten zaal voorbij kwam en soms ook wie dat was, door zijn of haar manier van lopen, en dat ze ‘auto…’ iedere auto opmerkte die op de weg, ongeveer dertig meter van het gebouw vandaan, ‘nog een auto…’, voorbij kwam en wanneer, en of het een personenauto was, of een zwaarder vervoermiddel, zoals een vrachtwagen, of een bus, die weer heel andere geluiden maakte, behalve brommen ook sissen, en dat ze het opmerkte als er in de zaal naast de hunne en ook buiten in de openlucht gelachen werd, of af en toe met luide stem of boos gesproken werd, dat ze het merkte als iemand daar aan de andere kant van de muur een stoel verschoof over de linoleumvloer, dat er een klein barstje zat in het kopje dat ze zojuist terug op het schoteltje had gezet, en dat ze het hoorde als in de verte op de receptiebalie de telefoon overging en hoelang het duurde voordat die opgenomen werd, vaak wel erg lang…, en hij merkte tactisch op dat dat toch allemaal erg vermoeiend moest zijn, waarop zij antwoorde dat ze zich inderdaad constant moe voelde, maar ja, dat dat logisch was, gezien alles wat ze mee had gemaakt en alles wat ze voortdurend in zich opnam, wat ze dacht, wat ze ontleedde, wat ze vermoede, waar ze bij wou helpen, wanneer ze iemand wou verdedigen of oppeppen, wanneer ze iemand op iets wou aanspreken, en wanneer ze iemand wou troosten, met een knuffel of met woorden, of een compliment wou geven over een nieuw kapsel of een mooie blouse, en als ze dacht aan alles dat ze vandaag of morgen nog graag zou willen doen, en hij merkte op dat dat niet normaal was, dat dat bij andere mensen niet zo werkte, dat hij dat niet afkeurend bedoelde, integendeel, dat hij grote bewondering voor haar had, maar dat dat toch eigenlijk niet te doen was, niet vol te houden was, hij dronk tussendoor zijn laatste beetje thee op, en dat het geen wonder was dat zij die ernstige gezondheidsproblemen had gehad en dat ze, nu deze achter de rug waren, hij likte een laatste koekkruimeltje van zijn wijsvinger, beter kon leren wat liever voor zichzelf te zijn, in plaats van steeds maar voor anderen, dat ze haar schaarse energie beter aan zichzelf zou kunnen besteden en aan haar creatieve talenten, ze zag dat er een knoopje van zijn overhemd half los zat, en dat ze beter kon leren de informatie om haar heen te filteren, ze zag een koffiefilter voor zich, en te leren kiezen waarop ze voortaan haar aandacht richtte en vooral ook waarop niet, en dat hij haar daarbij wel wou helpen in een aantal privésessies, waarop zij met een verontschuldigende grijns zei dat hij daar dan nog een hele kluif aan zou krijgen, aan haar, want ze bedoelde het allemaal zo goed, maar ja, ze veegde een kruimeltje van tafel, dat ze, dat ze…, nou ja, dat ze… ; dat er toentertijd nog geen woord was voor hoogsensitiviteit.