BG 222 – Op het strand

Het primitieve bankje in de felle zon op het strand, gemaakt van een ruwe plank op twee ingegraven palen, is niet echt geschikt om prettig op te zitten. Maar het is dát of met zijn zware lichaam rechtstreeks op het gloeiendhete zand neerploffen. Hij heeft geprobeerd zich in de schaduw terug te trekken, op de grond met zijn rug tegen een van de palmbomen, maar al snel ontdekt dat daar allemaal vervelende kriebelende en stekende beestjes leven. Zijn korte broek en T-shirt zijn bezweet en gekreukt, er zit constant zand tussen zijn opgezwollen voeten en de zolen van zijn leren sandalen, zijn bleke huid is roodverbrand, hij heeft last van jeukende insectenbeten, en zijn rug doet pijn. Hadden ze het bankje niet op z’n minst van een rugleuning kunnen voorzien? Puffend trekt hij de vuile zakdoek met in iedere hoek een knoop van zijn kalende hoofd en wrijft er maar weer eens het zweet mee van zijn gezicht.

Ze hebben hem een soort van hutje toegewezen voor de nacht. Meer een platformpje eigenlijk. Het staat op palen, is gemaakt van ruwe boomstammetjes en heeft een schuin dak van grote gedroogde bladeren. Een oude, vieze doek op een laagje kriebelige kokosvezels dient als matras, maar hij kan er niet comfortabel op liggen. In het midden onder het afdak is een klamboe bevestigd, waarvan hij de hoeken aan haken in het hout kan vastmaken. Maar het gaas sluit niet goed en weerhoudt de vreemde insecten die hier vooral ’s nachts actief zijn er niet van om te drinken van zijn zweet en soms ook van zijn bloed. Een ondiepe kuil in het zand, zo’n tien meter achter zijn hutje, met daarnaast een paal om zich aan vast te houden, doet dienst als toilet. Ondanks dat hij het na gebruik afdekt met een laagje zand, dringt de geur ’s nachts tot zijn slaapplaats door.

En overdag zit hij dus op het bankje, in de brandende zon, met zijn ogen half dichtgeknepen te turen over het water in de hoop dat er binnenkort een schip zal verschijnen. Gelukkig heeft hij zijn portemonnee bij zich. Maar de prijs van het schaarse, vreemd gekruide eten, het versgeplukte fruit en het drinkwater dat hij van de plaatselijke bevolking weet te kopen wordt iedere dag hoger, net als de huur die hij voor zijn ‘hutje’ voor de nacht moet betalen. Eén man op het tropische eilandje, Adèm, spreekt en verstaat een beetje Engels. Dus hij is overgeleverd aan deze overigens best vriendelijke Adèm. Af en toe komt er een jonge inheemse vrouw zijn huid afspoelen met lauwwarm water, nadat ze hem eerst helpt zijn plakkerige T-shirt uit te trekken en naast zich op het bankje te drogen te leggen. Hij schaamt zich wel een beetje voor zijn lichaam. Daarna smeert ze zijn roze verbrande huid voorzichtig in met kokosmelk. Hoewel hij niet zeker weet of dat werkt, is hij haar er toch dankbaar voor. En ja, ook voor die dankbaarheid moet hij zijn portemonnee trekken.

Toen hij drie dagen geleden op verzoek van zijn vrouw van boord ging (hij heeft geen horloge om en ook zijn telefoon niet bij zich, maar hij weet dat het inmiddels drie keer nacht geweest is) om bij een van de primitieve marktstalletjes verderop op het strand voor haar een nieuwe zonnebril te kopen, hielden de lokale verkopers hem lang aan de praat – want er moest afgedongen worden en er was felle concurrentie en hij wou niet onbeleefd zijn. Zó lang zelfs dat het cruiseschip met daarop zijn vrouw en kinderen en nog zo’n tweehonderd andere passagiers, na meerdere luide signalen van de scheepshoorn, uiteindelijk tot zijn grote ontsteltenis zonder hem vertrok. Elke keer als hij Adèm vraagt wanneer het schip terugkomt of wanneer er een ander schip zal aanleggen, antwoordt die met een brede grijns ‘nog één week!’. Hij weet niet zeker of Adèm de betekenis van het woord week wel kent. De in de steek gelaten man is moe, hondsmoe. De felle zon, het ongemakkelijke slapen, zijn brandende en jeukende huid, de onophoudelijke wind en het klotsen van de golven op het strand, plus de onzekerheid over hoe lang hij het hier nog uit moet houden, putten hem uit.

Op de vijfde of zesde dag (hij begint verward te raken en is de tel kwijt), wanneer zijn portemonnee bijna leeg is en hij enkel nog geld heeft voor een laatste flesje lauw drinkwater, komt er een gerimpelde oude man zwijgend naast hem op het bankje zitten. De man kijkt hem even aan, knikt vriendelijk, alvorens samen met hem over het water uit te kijken. En ja hoor, als de zon op z’n hoogste punt is, blinkt er eindelijk een schip aan de horizon! Hij slaakt een kreet van opluchting. In het halve uur daarna, dat voor hem wel een halve dag lijkt te duren, ziet hij het schip gelukkig langzaam in de richting van de aanlegsteiger sturen. Hij huilt van pure opluchting en de oude man geeft hem een vriendschappelijk klopje op zijn rug.

Uren later, in tranen herenigd met zijn vrouw en kinderen op hun cruiseschip, komt hij erachter dat het eiland groter is dan hij dacht, en dat het schip al die tijd aan de andere kant van het eiland in een heuse haven aangemeerd heeft gelegen. De kant met de winkels, het hotel, de restaurants, de ligstoelen met de parasols en de gekoelde drankjes. Als hij zich gedoucht heeft en schone kleren aangetrokken heeft, schuiven ze samen bij de kapitein aan tafel voor het diner.

De kapitein vertelt hem breed lachend dat ze tijdens elke cruise iemand achterlaten aan de vrijwel verlaten kant van het eiland, om de arme bevolking daar de kans te geven een beetje geld aan zo’n toerist te verdienen. Als diens geld bijna op is, rent een van de lokale kinderen binnen twee uur naar de toeristische kant van het eiland om te melden dat het tijd is om de achterblijver weer op te komen pikken. Hij is stomverbaasd en gekwetst wanneer het tot hem doordringt dat zijn eigen gezin hem heeft aangemeld als ‘slachtoffer’, waarna zij iedere avond bij de kapitein aan tafel hebben mogen dineren.

De rest van de cruise komt hij zijn hut met airconditioning niet meer uit en laat hij alleen de scheepsarts binnen om dagelijks zijn verbrande huid en insectenbeten te verzorgen. Eten en drinken bestelt hij naar hartelust bij de roomservice. Zijn vrouw heeft hij enkele van haar spulletjes in een kleine koffer laten inpakken en sindsdien laat hij haar niet meer binnen. Die moet maar op de kamer van de kinderen slapen. Hij kan niet wachten tot ze weer thuis zijn. Hij is van plan om voorlopig bij zijn vrijgezelle broer in te trekken. De broer waar hij het prima mee kan vinden, en die hem voor gek verklaarde toen hij hem maanden geleden vertelde dat hij met zijn gezin een tropische reis ging maken. Hij had naar hem moeten luisteren.