Toen ik deurbel hoorde, had ik net buikje gevuld in keuken en ben ik boven in kresboom geklommen. Ze roepten mij – Poesiewoesie! – maar ze konden mij niet vinnen, want ik kan heel goed verstop. Ik heb nog meer namen: meestal noemen ze mij Lievetim en soms roepen ze mij Neetim! of Niedoentim! Veel namen, veel lief!
Het is héle grote kresboom, dus ik kan krestafel met grote poesiedeken en mooie kres-etensbakjes goed zien, zonder zij mij zien. Ieder jaar zetten mijn mensdieren deze boom in grotekamer, maar ik begrijp niet waarom ze noemen hem boom. Hij ruikt niet als boom, ik kan mijn nagels niet aan slijpen en heeft onderaan geen kattenbak. Maar heeft wél heleboel kleine ligjus en mooie gekleurde kresballen. Midden op grote krestafel branden witte kaarsen. Zó feest!
Ik furtel van verder nu. Mijn man-mensdier en mijn vrouw-mensdier zitten met bezoek-mensdieren aan tafel. En bijna allemaal zijn ze iets furgeten. Kleinoudvrouw-mensdier die ze Oma noemen is haar goorapparaat furgeten. Dochter-mensdier, met twee klein-mensdieren is furgeten dat ze zou zorgen voor dessert. Mijn man-mensdier is furgeten de kalkoen op tijd uit oven halen. En zoon-mensdier en zijn andereman-mensdier, die met elkaar getrouwd zijn, zijn weer eens furgeten op tijd te komen. Toch doet iedereen van blij!
Als het eten einlijk op tafel wordt gezet en ze porties in hun etensbakjes scheppen doen ze veel van blij. Van zó blij elkaar weer zien, van zó blij dat kresfees is, hoera! Maar ik zie dat ze niet eg van blij zijn. Waarom dan ze doen? Het kreseten ruikt boel lekker! Gelukkig heb ik al buikje vol. Eerst zijn alleen geluiden van mensdieren die kauwen en smaksmak doen. Tussendoor nog beetje praten. Dan komt voorzichtig boos.
‘Pa, kijk dan toch, je hebt de kalkoen alweer laten verbranden! Hij smaakt echt nergens naar!’ Mijn man-mensdier kijkt boos en zegt van dat wel meevalt. Maar valt niet mee, zeggen allemaal. Hebben gelijk, vlees ruikt naar brand.
Oma-mensdier vraagt andereman-mensdier of hij al swangur is. Hij zegt beetje boos: ‘ik mán-mensdier!’ maar Oma-mensdier kan niet horen zonder apparaat. Zegt dat ze zich verheug op nog een klein-mensdier. Grote zuch en ‘laat haar maar!’
Maar alle mensdieren doen niet meer van blij, ik kan zien. En mijn vrouw-mensdier doet steeds opnieuw van tut-tut-tut. Maar niemand begrijp tut-tut-tut.
Meisje-mensdier lust niet spruitjes. ‘Ik lust geen spruitjes!’ zij roept elk jaar, maar elk jaar krijgt spruitjes. Oma schept appelmoes in haar etensbakje, om weer van blij te doen. Jongetje-mensdier gooit spruitje van andere kant krestafel naar meisje-mensdier. Zij roepen! Zij boos! Iedereen beetje boos. Iedereen veel boos! Zij stoppen eten, zij roepen en zuchten, zij zuchten en roepen.
Ik naar voren kruipen, voor beter zien, beter horen. Maar, oh! Ooooooh! Kresboom val! Ik en kresboom val boven op krestafel! ‘Miauw!’ Allemaal doen paniek! Maar kreskaarsen op tafel doen van blij! Kleine kresligjus worren nu gróte kreslig, hoera! Zó feest! ‘Emmer water halen!’ Is warm, is nat, ik verstop. ‘Jij smerig rotbeest!’
Huh? Nog beest? Wie is?