Je hebt donkere kroegen en je hebt extreem donkere kroegen.
De Kraaiende Kip bij ons in de stad is er een uit die laatste categorie en het is onze favoriete uitgaansplek op drukke zaterdagavonden.
Wij zorgen er altijd voor dat we er op tijd zijn, zodat onze vaste plaats aan het einde van de lange toog nog vrij is, vanwaar we in het licht van een kaal peertje boven de deur een goed uitzicht hebben op wie er binnenkomt en wie er vertrekt en waar we bovendien in een grote spiegel aan de wand tegenover ons vaag kunnen zien wat er in het schaarse licht achter ons gebeurt.
Zo hebben we het graag: zitten in het semi-donker, maar onze omgeving toch in de gaten kunnen houden.
Onze heftige ruzie van deze namiddag is geluwd en we kunnen weer samen door één deur. Dus hebben we toch weer de bus naar hier genomen.
We komen altijd met de bus en gaan als het laat wordt met een taxi terug naar huis.
Het is zó druk in De Kip op zaterdagavond dat ik amper ruimte heb om naar de wc te gaan. En mijn tweelingzus Mirra moet dan natuurlijk mee.
De waard, Bolle Berend, kent ons goed en houdt ondertussen altijd onze barkruk voor ons bezet. Een goede vent is het, die Bolle. Wel jammer dat hij zo dik is.
Zelf geniet hij ook net iets te veel van de verschillende tapbieren en jenevertjes die hij scheutig schenkt voor vaste klanten en voor de vele toeristen, die zelfs als het buiten donker is toch de opvallende rode voordeur in de zwarte voorgevel van het pand weten te vinden. Dat er een grote kraaiende witte kip op de zwarte muur geschilderd is helpt natuurlijk ook!
Er gaan geruchten dat Bolle ooit een grote erfenis heeft ontvangen en dat hij De Kip alleen als liefhebberij aanhoudt. Dat het hem daarom niet veel kan schelen of ieder drankje wel netjes betaald wordt. Ook daardoor is De Kip populair.
Er hangt hier altijd een vreemde sfeer. Een mengeling van gezelligheid en een vleugje onheil, van vriendschap en van vaag gevaar, van vrolijkheid, opwinding en spanning, van jezelf laten gaan en van even helemaal verlost te zijn van je dagelijkse beslommeringen.
Mirra is gek op bier. Ik niet. Ik drink helemaal geen alcohol. Niet dat ik daar iets op tegen heb, maar het is gewoon niet mijn ding. Speciaal voor mij heeft Bolle altijd een aantal flessen water met kunstmatige fruitsmaak op voorraad. We zijn tenslotte vaste klanten en beschouwen Bolle al zeker tien jaar als een goede vriend.
Bolle vindt het erg grappig dat wij weliswaar identieke tweelingen zijn, maar dat alleen Mirra graag alcohol drinkt en ik juist helemaal niet. En wat hij nog grappiger vindt is dat ik altijd degene ben die het meest aangeschoten lijkt te raken.
Wij trekken gewoonlijk veel bekijks. Tja, wat wil je, we zijn van die tweelingzussen die exact op elkaar lijken. En dan dragen we ook nog dezelfde kleren en doen we ons haar op dezelfde manier.
Verder kijken we allebei vrij brutaal uit onze ogen en zijn we bepaald niet op ons mondje gevallen. Dus ja, we zijn zeg maar double trouble!
Het voordeel van de diepe schemering in De Kraaiende Kip – nee ja, god ja, vraag me niet waarom het een Kip is en geen Haan! Er komt hier allerlei volk, het is hier niet speciaal voor lesbo’s ofzo. Maar het voordeel dus van de duisternis hierbinnen is dat mensen een beetje extra moeite moeten doen om elkaar goed te kunnen zien en eventueel te herkennen.
En dan vallen wij tot verbazing van nieuwe klanten extra op, omdat wij nou ja, zo ongeveer precies gelijk zijn. En close. We zijn ontzettend close!
Mirra beweert wel eens dat ik, Marcia, toch een heel andere oogopslag heb dan zij, maar mocht dat al zo zijn – wat ik betwijfel – dan valt dat daar in die schemering helemaal niemand op.
Toch is er nog een verschil tussen ons: Mirra valt vooral op mannen en ik dan weer eerder op vrouwen. Maar we hebben allebei geen moeite om ons ook af en toe door het andere geslacht te laten bewonderen.
Bewondering is misschien wel de belangrijkste reden waarom we op zaterdagavond altijd weer naar De Kip gaan. Bewondering van de stamgasten en vooral ook bewondering van mensen die onze stad of De Kip voor het eerst bezoeken.
En die, als hun ogen eenmaal aan het weinige licht gewend zijn geraakt, ons vaak aan staan te staren, of nieuwsgierig naast ons komen zitten.
Een vrij lange kerel met donkere krullen, donkere ogen en een ongeschoren kin werkt zich een weg door de drukte naar de kruk naast mij, die net is vrijgekomen, en gaat er naar ons toegedraaid op zitten.
Mirra en ik steunen met onze armen op de toog, zij met een glas bier in haar linkerhand, ik met mijn fruitwater in mijn rechterhand.
Mirra kijkt langs me heen om de man beter te kunnen zien.
Hij kijkt niet al te helder uit zijn ogen en heeft waarschijnlijk al de nodige biertjes gehad, maar hij bestelt er nog een. Hij zegt eerst niets, maar bekijkt ons nieuwsgierig. Kijkt van mij naar mijn zus en weer terug, kijkt naar onze gezichten, onze schouders, onze armen, mijn zij, mijn rechterbeen, de barkruk waar ik op zit, en weer naar mijn gezicht, met een scheve grijns nu.
‘Hé! Ik ben John, wie zijn jullie?’
Ik glimlach breeduit naar hem. ‘Ik ben Marcia en dat,’ ik draai me om, kijk van heel dichtbij naar haar, ‘is Mirra!’
‘Aangenaam, dames!’ zegt John en hij steekt zijn glas bier naar voren. Ik proost er met mijn glas tegenaan en Mirra met dat van haar.
John helt iets voorover, waarbij zijn ogen naar de lage halslijn van mijn truitje kijken.
‘Oh, hallo!’ zegt hij tegen mijn borsten. Mirra en ik schieten in de lach.
John neemt een slok van zijn bier terwijl wij beiden breeduit naar hem lachen, en buigt zich dan een tweede keer naar ons toe. Hij lijkt verbaasd. Ach gut, die arme kerel, hij weet niet wat hem overkomt.
Ik draai mijn hoofd naar hem toe en geef hem een ondeugende natte zoen op zijn wang. Hmz, hij ruikt lekker, naar een of andere kruidige aftershave.
We proberen met z’n drieën een gesprek te voeren, maar dat valt niet mee, want het is niet alleen erg donker in De Kip, maar ook erg lawaaierig, met al dat volk dat drinkt en plezier maakt en dat hutje mutje tegen elkaar aan gedrukt staat.
John drinkt ondertussen stevig door.
Dan legt hij zijn grote warme hand op mijn schouder en roept ‘Niet weggaan hoor! Ik ga even pissen!’ Mirra schiet weer in de lach, ik vind het wat ordinair.
Als John verdwenen is, is zijn barkruk al weer snel bezet, door een oudere dame met een flinke laag make-up op. ‘Hé Berdien, leuk je weer te zien!’ roep ik richting haar oor. ‘Jaja, Berdien – zien! ik snap em,’ lacht ze over het grapje dat ze voortdurend aan moet horen en richt zich dan tot Bolle om een jenever te bestellen. Ze wrijft even met haar schouder tegen de mijne. ‘Fijn jullie weer te zien!’ ‘Ja schat, leuk dat je er ook weer bent!’
Een minuut of vijf later is er achter ons ineens een hoop extra kabaal. Ik probeer in de spiegel te zien wat er gebeurt.
Oh jee! John is blijkbaar teruggekomen van het toilet en het is tot zijn benevelde brein doorgedrongen dat er iets niet helemaal klopt. Hij is zelfs zo geschrokken dat hij bijna op de grond valt en door een paar andere klanten weer overeind gehesen moet worden.
‘Jij freak!’ roept hij naar mij, ‘Jullie freaks!’ roept hij naar mijn zus, en dan komt Bolle tussenbeide. Hij maakt zich nog groter en breder dan hij normaal al is, leunt over de toog tussen mij en mijn zus door en sommeert de man ‘Opzouten! Opsodemieteren! Mijn zaak uit!’
John sputtert nog wat tegen. Hij bedoelde er niks mee. Hij bedoelde niet gemeen te zijn, hij was gewoon geschrokken, verbaasd, hij bedoelt…
‘Wegwezen, oprotten!’
Een drietal vaste klanten pakt John vast en sleurt hem door de drukte heen naar de uitgang.
‘Dankjewel, Bolle!’ glimlachen Mirra en ik gelijktijdig.
‘Die heeft een beetje een zwak hart!’ lach ik luid en Mirra voegt eraan toe: ‘Zwak mannetje, érg zwak mannetje!’ We gieren het uit.
Vanwege alle pilsjes die Mirra inmiddels gedronken heeft, moet ik dringend gaan plassen. Moeizaam klimmen we van onze barkruk af. Dat valt nog niet mee als je samen maar één lichaam hebt van je buik af naar beneden…