Toen de eerste mensen de eerste seizoenen meemaakten, moeten ze daar wel verbijsterd over zijn geweest.
Dat de wereld aanvankelijk zo mooi groen werd, dat er bloemen en bloesems in allerlei kleuren verschenen, dat het vervolgens heerlijk warm werd, dat de vogels begonnen te zingen dat het een lieve lust was, en dat er toen allerlei vruchten in en uit de aarde en aan bomen en struiken gingen groeien, zal hen zeer aangenaam verrast hebben. Akkoord, ze zullen zich wel eens vergist hebben en iets hebben gegeten dat hun maag niet verdroeg, maar over het algemeen moeten ze toch erg blij zijn geweest met het mooie weer en met deze overvloed aan eetbaars dat hen zomaar door de natuur werd toebedeeld.
Toen diezelfde eerste mensen merkten dat de laatste vruchten bedierven en ze nog net een voorraadje van de goede exemplaren wisten aan te leggen, toen ze de kracht van de zon voelden afnemen en de vogels zagen vertrekken, toen ze zagen dat het groen langzamerhand verdween, dat de eens zo frisse bladeren verkleurden en van de bomen vielen, en dat alle planten in rap tempo leken te sterven, moeten ze bang geweest zijn dat dit voorgoed was en dat het het einde van hun wereld betekende.
En toen het vervolgens ook nog eens begon te vriezen en alles om hen heen door sneeuw en ijs bedekt werd, moeten ze zich angstig teruggetrokken hebben in inderhaast uit takken en plaggen opgetrokken hutten of in natuurlijke grotten in de rotsen. Dat was bepaald nog geen pretje toen ze het vuur, dat ze enkel kenden van vernietigende blikseminslagen, nog niet hadden bedwongen. Dik ingepakt in dierenhuiden waagden ze zich af en toe buiten om op taai vlees te jagen, dat zich helaas met klauwen en hoornen verdedigde. Het vooruitzicht op die eindeloze kou en duisternis en een vrijwel totaal gebrek aan voedsel moet hen wel hebben doen vrezen dat hun einde nabij was.
Maar tot hun verbazing bleven ze in leven. En net toen ze zich erbij hadden neergelegd dat dit voortaan hun manier van leven was, begonnen het ijs en de sneeuw te smelten. Het moet een grote opluchting voor hen geweest zijn toen het zonlicht terugkeerde en er hier en daar weer planten begonnen te groeien. Toen hun omgeving er weer uit begon te zien en begon te ruiken zoals ze dat gewend waren geweest en toen later ook alle eetbare dingen terugkeerden.
Wij mensen van vandaag vinden de seizoenen vanzelfsprekend. Overmoedig geworden door de ervaringen uit het verleden, gaan we er zondermeer vanuit dat het gras wel weer gaat groeien, dat er nieuwe bladeren aan de bomen zullen groeien, dat de vogels terug zullen keren en dat de vruchten weer zullen gaan groeien.
We drijven handel in vruchten nog voordat ze rijp zijn, we vetten onze schaatsen in voor de winter en we boeken onze zomervakantie op een camping terwijl het nog regent en onweert. Ieder weldenkend dier zou rekening houden met afwijkingen van de norm, maar niet de moderne mens. Die heeft een onwankelbaar geloof in de seizoenen.