Ik behoor tot dat deel van de mensheid dat er iets meer dan de helft van uitmaakt, maar waarvan de leden veelal als onbelangrijk en minderwaardig worden beschouwd.
Ik ben een vrouw.
‘Mankind’ is hoe de mensheid in het Engels heet. Dat klinkt alsof mannen eigenlijk de enige juiste menssoort zijn, wat niet echt ‘kind’ (aardig) is.
Gelukkig gebruiken wij Nederlandstaligen een vriendelijker woord, wat helaas niet inhoudt dat vrouwen hier een betere positie hebben.
Van oudsher zijn het mannen die de koers van de mensheid bepalen.
Zij strijden, plunderen, vechten competities uit en oorlogen, ze moorden, ze zijn helden, ze zijn overwinnaars, leiders, managers, bestuursvoorzitters, grootaandeelhouders, presidenten, dominees, burgemeesters, en hoofden van families.
Zij vinden het belangrijk dat ze de beste, de snelste, de sterkste, de machtigste, de rijkste en de invloedrijkste zijn, en ze willen de knapste en gewilligste vrouwen aan hun zijde, om hen te dienen, hun ego’s te strelen en hun zonen te produceren.
Ik ben dus eigenlijk een inferieur soort man.
Competities vind ik namelijk best aardig, maar dan graag met een brede finishlijn, waar we samen hand in hand overheen gaan.
Ik hecht waarde aan intelligentie, kracht, gezondheid, talent en geluk, maar wens dat ook mijn medemensen toe.
En waar ik ook van hou is kalm en zacht zijn, alleen of samen met anderen.
Ik hoef geen macht en invloed, tenzij om goed te doen. Om de klimaatramp een halt toe te roepen en de natuur te herstellen. Om welvaart en welzijn eerlijk over alle mensen te verdelen. Macht zonder agressie dus, macht ten bate van alle levende wezens.
Rijk hoef ik ook niet zo nodig te zijn. Zolang ik alles heb wat nodig is voor een menswaardig bestaan, en af en toe iets extra’s, ben ik tevreden. Want ik begrijp dat het oppotten van rijkdom, net als het oppotten van macht, ten koste gaat van grote aantallen andere mensen, en dat wil ik niet.
Dus word ik door mannen niet als gelijkwaardig gezien. Wat hen betreft faal ik op vele fronten.
Niet alleen ben ik een inferieur soort mens, ik ben ook nog eens een vrouw van een bepaalde leeftijd. Een vrouw die (gelukkig) niet langer kan reproduceren, die geen nieuwe mensen meer op de wereld kan zetten.
Een vrouw wiens lichaam daarom ook niet langer begeerlijk is.
Een soort onzichtbare mens. Een onzichtbare inferieure man.
Maar angstaanjagend ben ik ook. Want waar ik me vroeger, als uitzondering op de regel, al niet conformeerde aan mijn rol van dienaar van de man, spreek ik me inmiddels heel duidelijk uit over dat wat ik zie als onrechtvaardigheid, en bijt ik flink van me af als mij of anderen onrecht wordt aangedaan.
Dat vinden mannen bij jonge vrouwen onaanvaardbaar, maar bij strijdvaardige oude wijven zoals ik vooral angstaanjagend. Ze hebben hun vrouwen liever onderdanig op de achtergrond. En ze strijken graag de eer op voor ons vernuft.
Mannen spelen een centrale rol in onze taal en in de verhalen over onze geschiedenis. Wij mensen waarderen macht, kracht, viriliteit, succes en rijkdom.
Onze maatschappij draait om alsmaar meer, alsmaar sneller, alsmaar beter, alsmaar rijker, alsmaar complexer. Wij wensen ongebreidelde groei, omdat we hebzuchtig zijn en omdat we menen dat groei goed is en stilstand achteruitgang.
Wij zien niet in dat ongebreidelde groei leidt tot plundering en vernietiging, en dat het de meeste mensen (ook mannen) uiteindelijk achterlaat met lege handen en een verwoeste leefomgeving.
Nog steeds vereren wij die mensen – vrijwel zonder uitzondering mannen – die zich ten koste van miljarden anderen absurd verrijken. En de bedrijven die – ten koste van onze planeet, ons klimaat en onze mensenrechten – het meest ‘succesvol’ zijn.
Niets van dat alles zou trouwens mogelijk zijn geweest zonder de ‘zachte’ eigenschappen en de ‘vrouwelijke’ bezigheden van de mensheid.
De succesvolle manager van een multinational, de winnende sportheld, of de heersende politicus weet doorgaans niet hoe hij zich moet verbinden met andere mensen, vriendschappen moet cultiveren, ruzies moet de-escaleren, problemen moet oplossen, boodschappen moet doen, eten klaar moet maken, een wasmachine moet gebruiken, kinderen moet opvoeden, of zelfs maar een knoop aan moet naaien.
Nu bedoel ik niet dat vrouwen alleen maar zachtaardige mensen zijn. Als je dat gelooft, ken je mij nog niet! Dan heb je mij nog nooit kwaad gemaakt. Mijn boosheid richt zich echter niet op vernietiging en macht, maar op het oplossen en herstellen van dat wat er fout zit, in de privésfeer en in de maatschappij.
De geschiedenis is geschreven door en over mannen, de overwinnaars.
Tot aan enkele honderden jaren geleden mochten vrouwen zelfs niet leren lezen en schrijven, of zich in welk intellectueel onderwerp dan ook verdiepen. Daar werden vrouwen niet geschikt voor geacht. Zij stonden in dienst van de man.
Daardoor is het mannen heel lang niet opgevallen – de gemiddelde man in zijn comfortabele machtspositie is niet bijster slim – dat vrouwen vaak intelligenter zijn. Intelligenter dan mannen, en ook nog eens veel beter in het oplossen van zowel grote als kleine problemen. Dat hebben vrouwen dus ook altijd gedaan: problemen, meestal door mannen veroorzaakt of genegeerd, opgelost.
Maar échte helden zijn mensen die strijden, jagen, veroveren en moorden!
Generaliserend zou je kunnen stellen dat mannen altijd alles kapot hebben gemaakt en vrouwen altijd alles waar mogelijk hersteld hebben.
Toch zijn helden vrijwel zonder uitzondering mannen.
Dat is het gevolg van de verhalen die we elkaar vertellen.
Als vrouw heb ik niet het gevoel dat de geschiedenis die mij vroeger op school geleerd werd en die ik nu in boeken en online kan lezen, en in documentaires en nagespeelde films kan bekijken, over mij gaat.
Volgens die verhalen ben ik inderdaad een inferieure man.
In geschiedenislessen werd ons geleerd dat de eerste door de mens gemaakte werktuigen speren en bijlen waren. Ik durf dat te betwijfelen.
De vroegste mensen aten namelijk vooral plantaardig voedsel. Voedsel dat ze plukten of opgroeven.
Alleen voor de nodige eiwitten vingen ze af en toe kleine dieren, zoals vissen.
Nu, als ze eetbare vruchten of zaden gevonden hadden, en hun honger gestild hadden, dan stel ik me zo voor dat ze probeerden het overgebleven voedsel mee naar hun kamp of grot te nemen, voor hun familie en voor wanneer ze opnieuw honger kregen.
Daarvoor hadden ze manden nodig, of bakken, of Tupperware ofzo.
Dus gebruikten ze, lang voordat ze de speer en de bijl uitvonden, of zelfs maar het vuur, dingen als grote holle schelpen, stukken gebogen boomschors, uitgeholde stukken hout, of netten die ze vlochten van bijvoorbeeld plantaardige vezels. En meer duurzame potten, bijvoorbeeld van klei, om overtollig voedsel langer in te kunnen bewaren.
Dingen die ze waarschijnlijk ook al vroeg maakten waren vormen van beschutting tegen de regen of de zon, tegen de wind en de kou. Die maakten ze van takken, van riet, van grote bladeren, van klei, van wat er maar beschikbaar was.
En hengels maakten ze ook, natuurlijk; of op z’n minst visnetten of -haakjes.
Iets wat de machtigste man in geen miljoenen jaren voor elkaar kreeg, is wat de inferieure man – de vrouw dus – sinds mensenheugenis gedaan heeft: het dragen en baren van nieuwe mensen. Zonder dokter, baarstoel, of ruggenprik.
Natuurlijk speelde de man daar ook een rol in, helemaal aan het begin, maar zijn bijdrage kan nauwelijks van betekenis worden genoemd.
Als mannen hadden moeten zorgen voor het voortbestaan van de soort, dan waren we waarschijnlijk al lang uitgestorven. Onze helden verdragen weinig pijn.
Oh, nog een reden om manden en zakken uit te vinden: met een baby op de arm is het lastig foerageren!
Een andere belangrijke rol van inferieure mannen (vrouwen dus, of zeldzame mannen die met vrouwen collaboreerden, of mannen die te oud waren geworden voor de strijd) was het vertellen van verhalen.
Verhalen verbonden de mensen met elkaar en werden doorgegeven aan volgende generaties, zodat die niet telkens opnieuw het wiel moesten uitvinden (maar zo ver waren we nog niet gekomen).
En naast vertellen speelden ook, net als vandaag de dag, zingen, toneelspelen en dansen een grote rol in de verbinding van een groep mensen en in het bewaren van hun verhalen en hun geschiedenis.
Kortom: het ‘onbelangrijke’ deel van de mensheid zorgde voor onderdak, hield dat netjes en maakte de nodige reparaties, zorgde voor het ontstaan van en het in leven houden van het nageslacht, verzorgde zieken en gewonden, verzamelde het meeste voedsel en bereidde het voor consumptie, suste ruzies en bemiddelde om oorlogen te voorkomen of te beëindigen, maakte primitieve gereedschappen, manden, zakken, netten, hengels, kleding, en vuur, en vertelde verhalen.
En toch stelden zij zich in dienst van de onhandige en minder intelligente, maar ‘belangrijke’ helft van de mensheid.
De meeste ‘belangrijke’ mensen waren niet zo slim en hadden geen talent voor het zorgen voor kinderen, zieken en gewonden, voor het verzamelen en bereiden van voedsel, voor de huishouding, voor reparaties, voor het uitvinden van nieuw gereedschap, voor het vertellen van verhalen en voor het zingen en dansen. Dus die begonnen zich te vervelen en voor overlast te zorgen.
Maar geen nood!
De ‘onbelangrijke’ mensen hadden stenen gereedschappen uitgevonden om hun houten kommen mee uit te hollen, om huiden mee te schrapen en om planten mee te snijden, en daarna maakten ze de eerste bijlen en speren.
Nu hoefden de ‘belangrijke’ mensen zich niet langer te vervelen en konden ze zich gaan bezighouden met iets wat niet persé noodzakelijk was, wat zelfs onnodig gevaarlijk was, maar wat hen natuurlijk heel veel prestige en aanzien gaf: het jagen op groot wild!
In noordelijke streken joegen ze voornamelijk op mammoeten, als we de geschiedenis willen geloven (dat willen we niet; er waren immers veel veiliger prooidieren beschikbaar om achteraan te hollen).
Die mensen die voortaan op groot wild jaagden, konden gemakkelijk een paar dagen of weken gemist worden. Ze droegen immers niets wezenlijks bij aan de groep en zaten vooral maar in de weg en aan de vrouwen die vaak wel wat beters te doen hadden.
Dus het was eigenlijk wel een opluchting als zij op jacht waren.
En ze kwamen terug met nieuwe verhalen. Grote verhalen, spannende verhalen, BELANGRIJKE verhalen! Bijvoorbeeld over hoe twee van hen door zo’n mammoet op de slagtanden waren genomen en waren verpletterd, maar over dat de anderen het beest uiteindelijk hadden weten te doden!
En kijk eens hoeveel vlees ze mee naar huis brachten! En die huiden! En die slagtanden en botten! Wat konden ze daar allemaal wel mee doen!
Nou…, dat wat de ‘onbelangrijke’ mensen de hele tijd al deden, maar dan nu in overdreven mate. Zucht…
Hadden de mensen werkelijk zo veel vlees nodig? Misschien wel, maar niet allemaal tegelijk. Nu moesten ze manieren vinden om het niet te laten bederven.
En zulke warme huiden? Ja, die kwamen wel goed van pas.
En die slagtanden en al die botten? Ja hoor, ook al waren het er veel te veel. Ze konden daar gereedschappen uit maken. Speerpunten en pijlpunten bijvoorbeeld.
En van wat er overbleef konden de ‘belangrijke’ mensen, als ze niet op jacht waren en zich verveelden, misschien kunstvoorwerpen en luxeartikelen snijden.
Dan hadden ze tenminste weer even wat te doen.
Vandaag leven we in een wereld waarin de ongebreidelde zucht naar agressie, macht en bezit van mankind – van de BELANGRIJKSTE mensen – diepe littekens heeft nagelaten.
Littekens die zelfs zogenaamde inferieure mensen niet kunnen helen.
Hoe lang laten we de machoman nog zijn gang gaan?