BG 322 – Milde kunstkritiek

Ik had die namiddag, kort voordat ik moest rusten, heel gezellig vier jonge kinderen op bezoek. Een buurmeisje en buurjongetje van zeven, en twee zusjes van zeven en negen die bij dat buurjongetje op bezoek waren.

Toen ik even daarvoor wat water had gedronken bij de kraan in de keuken en naar buiten keek door het grote keukenraam, had ik een groepje kinderen naar me zien zwaaien vanachter het hekje achter in onze diepe tuin, in het kippentuintje, waar al jaren geen kippen van ons meer lopen, maar wel kippen van de buren, zodat ze het onkruid er mooi kort kunnen houden.

Toen ik terugzwaaide, kwamen ze naar me toe. Ze sloten het hekje van het kippentuintje netjes achter zich en toen ze het achterste gazon hadden overgestoken sloten ze ook het hekje naar het voorste gazon weer netjes achter zich. Toen liepen ze over dat gras en over het terras van asfalt naar me toe bij de achterdeur. Ik hoorde het buurmeisje en jongetje al van ver opscheppen over dat ik zo mooi kon tekenen. Ze vroegen allemaal druk door elkaar heen of ze mochten komen kijken. Natuurlijk! Moesten ze wel eerst even hun vieze laarzen en schoenen uitdoen.

Het werd heel gezellig. De kinderen waren enthousiast over de aquarellen en tekeningen die ik ze liet zien. En ze stelden allerlei vragen, over wat ik gemaakt had, maar ook bijvoorbeeld over mijn gezondheid, want ‘Waarom moet jij in de namiddag eigenlijk altijd rusten?’ ‘Dat is toch niet zo leuk?’ Ze bleven maar vragen stellen en wilden overal het fijne van weten. Ook vroegen ze naar mijn kinderen, hoe oud die zijn en wat voor werk ze doen.

Zo scheutig als de kinderen met hun enthousiasme en hun complimentjes waren, zo eerlijk waren de twee zusjes ook in hun kritiek. ‘Ik vind dat rode stukje daar bij die mond niet zo mooi, want zo lijkt het net of er bloed uitkomt’ en ‘Ik zou aan die kant nog een beetje meer schaduw doen’.

Nu ben ik net bezig met een reeks van drie zelfportretten in kleurpotlood en hoewel ik een vrij bleek gezicht heb, met ooit roodblond krullend haar dat nu dunnetjes en vooral lichtgrijs is, besloot ik dat ik er kleurrijke portretten van ging maken. Dus dat viel hen natuurlijk op. ‘Jouw gezicht is toch niet zo rood?’ en ‘Jouw haren hebben toch niet zoveel kleuren?’ ‘Maar dat is kunst, hè?’, zei het oudste meisje toen, begrijpend. Inderdaad!

Ze vonden het jammer dat ze al zo snel weer weg moesten. Niet alleen omdat ik moest rusten, maar ook omdat de zusjes zo door hun moeder opgehaald zouden worden. Of ze later nog een keer mogen komen? Natuurlijk! En in de tussentijd, zo vertelde ik hen, zou ik het leuk vinden als ze een tekening voor me maken, of een gedichtje of een verhaaltje voor me schrijven, en die in mijn brievenbus steken.

‘Dag Bea!’, ‘Dankjewel Bea! Ik vind je lief!’, ‘Ik ook!’, ‘Wij allemaal!’ ‘Daahaag!’