BG 347 – Anti-Fictie

Veel mensen – vooral mannen – in onze Westerse wereld lezen geen fictie (denk aan romans, korte verhalen, poëzie).
Dat is erg jammer, want juist fictie – en ik weet dat dit tegenstrijdig klinkt – kan ons helpen de realiteit beter te begrijpen.
Het kan ons bijvoorbeeld leren hoe we het beste kunnen omgaan met de uitdagingen waarvoor we in ons leven komen te staan, en het kan ons ook laten zien dat het niet zo erg is als dat niet altijd lukt. Het biedt ons de mogelijkheid om onszelf met anderen te vergelijken, om overeenkomsten en verschillen te ontdekken in onze emoties, ons uiterlijk, onze overtuigingen, en onze reacties op bepaalde situaties. Het kan ons aarden en ons minder eenzaam doen voelen. Het kan ons inzicht geven in andere mensen en ons gemakkelijker met hen verbinden. Het kan ons doen reizen zonder uit onze luie stoel te komen. En het kan onze verbeelding en daarmee onze creativiteit stimuleren. Tegelijkertijd zorgt het voor een stukje totale afzondering, zelfs te midden van andere mensen, voor plezier en voor ultieme ontspanning.

– ‘Als jongen las ik sciencefiction en avonturenboeken, maar nu ik volwassen ben doe ik dat natuurlijk niet meer.’
– ‘Sprookjes zijn voor kinderen.’
– ‘Mijn vrouw leest graag romans, maar daar heb ik beslist geen tijd voor.’
– ‘Waarom zou ik fictie lezen als er zoveel interessante non-fictie bestaat? Daar kan ik tenminste iets van opsteken.’
– ‘Ik vind fictie lezen een totale verspilling van mijn kostbare tijd.’
– ‘Soms vind ik het ronduit verderfelijk. Bijvoorbeeld als er expliciete seks in voorkomt. Of als het over onnatuurlijke relaties gaat.’
– ‘Waarom zou ik iets lezen dat een ander mens uit zijn duim heeft gezogen?’

Vanwaar die afkeer, of misschien wel angst, voor fictie?
Daar zijn natuurlijk allerlei redenen en excuses voor, maar volgens mij komen die veelal neer op deze principes:
1. Vaak komt het voort uit puritanisme. Zeker in samenlevingen die gedomineerd worden door Protestantse religies. Men vindt dat er in het leven niet genoten mag worden om het genieten zelf. Het leven bestaat uit hard werken en afzien, en pas in een leven na de dood (in de hemel) mag er genoten worden.
Wil men toch in het hier en nu genieten, dan wordt die overtuiging onderdrukt met alcohol.
2. Alles wat men doet in het leven moet gericht zijn op productiviteit en op geld verdienen. Als een activiteit niet direct of indirect bijdraagt aan iemands status of banksaldo, dan is dat verspilde tijd.
(Het is om deze reden dat bestsellers en biografieën over succesvolle mensen soms wél door hen gelezen worden. Die mogen hun fantasie wél stimuleren, omdat ze er wellicht ‘magisch’ voor zullen zorgen dat de lezer ook succesvol wordt.)
3. Men vindt dat er tegenwoordig genoeg andere en betere manieren zijn om zich te ontspannen: bijvoorbeeld het kijken van – liefst waargebeurde – films, documentaires en tv-series, of het spelen van computer games, waarbij men al spelend leert hoe men in het echte leven kan uitblinken.

Het is waarschijnlijk overbodig om te zeggen dat dezelfde mensen over het algemeen ook niet van kunst houden. Want tja, wat is dáár dan wel het nut van?