BG 322 – Milde kunstkritiek
Ik had die namiddag, kort voordat ik moest rusten, heel gezellig vier jonge kinderen op bezoek. Een buurmeisje en buurjongetje van zeven, en twee zusjes van zeven en negen die bij dat buurjongetje op bezoek waren.
Toen ik even daarvoor wat water had gedronken bij de kraan in de keuken en naar buiten keek door het grote keukenraam, had ik een groepje kinderen naar me zien zwaaien vanachter het hekje achter in onze diepe tuin, in het kippentuintje, waar al jaren geen kippen van ons meer lopen, maar wel kippen van de buren, zodat ze het onkruid er mooi kort kunnen houden.
Toen ik terugzwaaide, kwamen ze naar me toe. Ze sloten het hekje van het kippentuintje netjes achter zich en toen ze het achterste gazon hadden overgestoken sloten ze ook het hekje naar het voorste gazon weer netjes achter zich. Toen liepen ze over dat gras en over het terras van asfalt naar me toe bij de achterdeur. Ik hoorde het buurmeisje en jongetje al van ver opscheppen over dat ik zo mooi kon tekenen. Ze vroegen allemaal druk door elkaar heen of ze mochten komen kijken. Natuurlijk! Moesten ze wel eerst even hun vieze laarzen en schoenen uitdoen.
Het werd heel gezellig. De kinderen waren …