BG 286 – Seizoenen
Toen de eerste mensen de eerste seizoenen meemaakten, moeten ze daar wel verbijsterd over zijn geweest.
Dat de wereld aanvankelijk zo mooi groen werd, dat er bloemen en bloesems in allerlei kleuren verschenen, dat het vervolgens heerlijk warm werd, dat de vogels begonnen te zingen dat het een lieve lust was, en dat er toen allerlei vruchten in en uit de aarde en aan bomen en struiken gingen groeien, zal hen zeer aangenaam verrast hebben. Akkoord, ze zullen zich wel eens vergist hebben en iets hebben gegeten dat hun maag niet verdroeg, maar over het algemeen moeten ze toch erg blij zijn geweest met het mooie weer en met deze overvloed aan eetbaars dat hen zomaar door de natuur werd toebedeeld.
Toen diezelfde eerste mensen merkten dat de laatste vruchten bedierven en ze nog net een voorraadje van de goede exemplaren wisten aan te leggen, toen ze de kracht van de zon voelden afnemen en de vogels zagen vertrekken, toen ze zagen dat het groen langzamerhand verdween, dat de eens zo frisse bladeren verkleurden en van de bomen vielen, en dat alle planten in rap tempo leken te sterven, moeten ze bang geweest zijn dat dit voorgoed was en dat het het einde van hun wereld betekende.
En toen het vervolgens ook nog eens begon te vriezen en alles om hen heen door sneeuw en ijs bedekt werd, moeten ze zich angstig teruggetrokken hebben in inderhaast uit takken en plaggen opgetrokken hutten of in natuurlijke grotten in de rotsen. Dat was bepaald nog geen pretje toen …