BG 350 – Vijver
Een mooie trotse moedereend
leidt haar jonge kroost vereend
koddig door het water
maar onder luid gesnater
stapt op het gras haar buitenbeentje
dat is me d’r pas eendje!
Een mooie trotse moedereend
leidt haar jonge kroost vereend
koddig door het water
maar onder luid gesnater
stapt op het gras haar buitenbeentje
dat is me d’r pas eendje!
Er is te weinig weinig!
Alles zit vol met veel.
Met meer, nog meer, meest, nog meer, absurd veel.
We hebben meer minder nodig.
de vriend, de vertaler, dat weet je
die struikelde over een kleedje
hij brak – krak – zijn been
op meer plek dan één
vertaalt nu herstelprocedeetje
zachte lentewind
knoppen gaan zwijgend open
zon kust de aarde
Ik heb je lief
Zo excessief
van je warme hart tot je exterieur
van je gulle lach tot soms je humeur
van je slimme brein tot je creativiteit
van je medeleven tot je behulpzaamheid
van hoe je me altijd opnieuw nog verrast
tot hoe je zo goed in mijn armen past
Ik heb je lief
zo excessief
Steeds die kunstmatigheid!
Tekst door AI gemaakt
weet niet van angst, van ge-
heim of verdriet,
hoop of gespannenheid,
allesverslindende
hartstocht en twijfel, ook
dát kent het niet!

je begrijpt je
momenten
goed
een bepaald
soort
veranderingen
die
men
vergeet
of ontkent
Translation:
‘k Ben druk aan ’t schuiven en zoeken
naar plaats op mijn planken – en vloeken!
niet daar aan de kant
maar hier misschien, want
een mens heeft echt nóóit te veel boeken!
God allemachtig zeg!
Deed ik het tóch weer fout
Reed in een rondje dus
Startend van huis
Kwam door een dommige
Oriëntatiefout
Niet waar ik heen wou gaan
Maar juist weer thuis!
Kijk eens die sterren daar!
Ver aan de hemel staan
Zo allemachtig en
Schitterend mooi
Maar ik heb dringend een
Vallendesterrenwens
Voor mijn geluk dus nu
Vallen die zooi!
Ik kijk naar haar, zij lijkt op mij.
Tussen het inmiddels duistere buiten en het slechts door een klein beeldscherm verlichte binnen was daar aanvankelijk alleen een gladde, donkere rechthoek.
Maar toen ik dichterbij kwam, ontstond daarop een nauwelijks waarneembare schim, met vlekken gezichtsbedrog in donkergrijs op donkergrijs.
Rondom haar domineert de kille duistere rechthoek, die rechtop ligt.
Kijk ik dieper, kijk ik dwars door haar heen, dan zie ik nog net de omtrekken van bomen en struiken in de tuin, die rustig wachten tot morgen de zon weer opkomt.
Waarneming op drie niveaus.
Ik glimlach naar zij die op mij lijkt en sluit de gordijnen.
schitterende sneeuw
bedekt vandaag de wereld
met onschuldig wit
hitte van de zon
streelt liefdevol mijn schouders
en maakt er sproeten
Zij zei, gisteren, zei zij ja…, dat hij, dat hem, dat ie, nou ja, hem z’n hemd had gehad gedaan, gisteren, of eergisteren, daar wil ik vanaf zijn.
En dat ze opzij, voorbij, bijlangs, bij hem z’n hemd was geweest of geworden.
Of in ieder geval bewust, bij bewustzijn en welzijn, zijwaarts bijlangs bij de straat staat, en verstaat, terwijl ze stil staat, stond, op de grond, langs de straat, en slaat, of nee, gaat, vergaat, maar zonder haat, of… te laat, daar wil ik vanaf zijn.
Ze wou en wil, zou kil, weerloos wachten, wezenloos smachten, en weer… daar, maar alsmaar daar, aldaar, gevoeld als gevaar, maar, bedoeld als bedaarde, zachte aarde, van waarde, waar ze niet ontaarde, en ze baarde, lang geleden, lang verleden, gegleden, leden, tevreden, of… niet, daar wil ik vanaf zijn.
Vandaag de dag en vannacht de nacht, wacht dit jaar, haar jaar, want en maar…, gooit ze om, duwt ze om, valt ze om soms, dom, maar bromt ze weerom, badom, badoem! Vol vuur, vol figuur, of dat gestuur of getuur, maar daar wil ik vanaf zijn.
Ze is niet meer nukkig, ook niet krukkig of plukkig, misschien zelfs gelukkig.
Maar daar wil ik vanaf zijn.
opeens door gaten
in het frisgroen bladerdak
felle zomerzon