dichteres

BG 350 – Vijver

Een mooie trotse moedereend
leidt haar jonge kroost vereend
koddig door het water
maar onder luid gesnater
stapt op het gras haar buitenbeentje
dat is me d’r pas eendje!

BG 344 – Weinig

Er is te weinig weinig!
Alles zit vol met veel.
Met meer, nog meer, meest, nog meer, absurd veel.
We hebben meer minder nodig.

BG 278 – Oriëntatiefout (Ollekebolleke)

God allemachtig zeg!
Deed ik het tóch weer fout
Reed in een rondje dus
Startend van huis

Kwam door een dommige
Oriëntatiefout
Niet waar ik heen wou gaan
Maar juist weer thuis!

BG 265 – Amper zichtbaar

Ik kijk naar haar, zij lijkt op mij.

Tussen het inmiddels duistere buiten en het slechts door een klein beeldscherm verlichte binnen was daar aanvankelijk alleen een gladde, donkere rechthoek.

Maar toen ik dichterbij kwam, ontstond daarop een nauwelijks waarneembare schim, met vlekken gezichtsbedrog in donkergrijs op donkergrijs.
Rondom haar domineert de kille duistere rechthoek, die rechtop ligt.

Kijk ik dieper, kijk ik dwars door haar heen, dan zie ik nog net de omtrekken van bomen en struiken in de tuin, die rustig wachten tot morgen de zon weer opkomt.

Waarneming op drie niveaus.

Ik glimlach naar zij die op mij lijkt en sluit de gordijnen.

BG 198 – Vanaf zijn

Zij zei, gisteren, zei zij ja…, dat hij, dat hem, dat ie, nou ja, hem z’n hemd had gehad gedaan, gisteren, of eergisteren, daar wil ik vanaf zijn.

En dat ze opzij, voorbij, bijlangs, bij hem z’n hemd was geweest of geworden.
Of in ieder geval bewust, bij bewustzijn en welzijn, zijwaarts bijlangs bij de straat staat, en verstaat, terwijl ze stil staat, stond, op de grond, langs de straat, en slaat, of nee, gaat, vergaat, maar zonder haat, of… te laat, daar wil ik vanaf zijn.

Ze wou en wil, zou kil, weerloos wachten, wezenloos smachten, en weer… daar, maar alsmaar daar, aldaar, gevoeld als gevaar, maar, bedoeld als bedaarde, zachte aarde, van waarde, waar ze niet ontaarde, en ze baarde, lang geleden, lang verleden, gegleden, leden, tevreden, of… niet, daar wil ik vanaf zijn.

Vandaag de dag en vannacht de nacht, wacht dit jaar, haar jaar, want en maar…, gooit ze om, duwt ze om, valt ze om soms, dom, maar bromt ze weerom, badom, badoem! Vol vuur, vol figuur, of dat gestuur of getuur, maar daar wil ik vanaf zijn.

Ze is niet meer nukkig, ook niet krukkig of plukkig, misschien zelfs gelukkig.
Maar daar wil ik vanaf zijn.