fictie door BeaG

BG 331 – U moet wel meewerken!

Een half jaar na mijn landverhuizing liep ik tegen een betonnen muur op. Een figuurlijke betonnen muur. Jarenlange niet of te laat erkende chronische gezondheidsproblemen en alles wat er komt kijken bij het afhandelen van een permanente verhuizing naar het buitenland eisten hun tol. Het ambulancepersoneel dat mijn man nog net op tijd had opgetrommeld redde, zo heb ik pas achteraf geweten, die dag mijn leven. Ik werd opgenomen op de afdeling medium care van het dichtsbijzijnde ziekenhuis in de nabije stad.

Van het ambulancepersoneel herinner ik me vooral dat ze meubels en mijn man opzij schoven om plaats te maken om mij op een brancard vast te binden. Ze praatten tegen me, dan weer kalm, dan weer urgent, maar hun woorden drongen niet tot me door. De rit naar het ziekenhuis, met zwaailichten en sirenes, leek ongeveer twee minuten te duren. Het zal in werkelijkheid een kwartier geweest zijn. Telkens weer klonken meerdere alarmen door elkaar heen in de krappe ruimte waar men tijdens het rijden probeerde mijn toestand te stabiliseren. De harde geluiden waren voor mijn gevoel nooit langer dan een uitademing achter elkaar stil.

Ik herinner me ook dat me naar mijn naam gevraagd werd. ‘Bea’ zei ik, trots dat ik de vraag begrepen had en zelfs het antwoord wist. Ik moest het een aantal malen herhalen voordat men me verstond. Na wat voor mij als drie seconden stuiteren over een kasseienweg aanvoelde, vroeg men weer naar mijn naam. ‘Nog steeds Bea’ antwoordde ik nu duidelijker. Dat was waarschijnlijk het moment waarop men wist dat ik het ging halen. Pas dagen later werd het me duidelijk dat ik in een diabetische shock had verkeerd en dat het ambulancepersoneel me net op tijd had weten te redden voordat ik weggegleden zou zijn in een onomkeerbare coma. Mij leek dat allemaal wat overdreven. Ik was gewoon moe geweest, ontzettend moe. Het leven had net wat te veel uitdagingen over me uitgestort.

Na een nacht en een halve dag op de medium care afdeling werd ik …

Read More »BG 331 – U moet wel meewerken!

BG 316 – Vind de dief

Om precies vijf uur sloot ze haar computer af, trok ze haar jas aan, en hing ze haar tas over haar schouder. Het kantoor was verder al uitgestorven. Haar collega’s hadden zoals gewoonlijk enkele minuten van hun werktijd afgesnoept. Op hun enthousiaste uitroepen als ‘fijne avond!’ en ‘tot morgen!’ had ze al die jaren niet gereageerd en niemand verwachtte dat nu nog van haar. Zo had ze het liever. Geen persoonlijk contact. Het administratieve werk dat ze deed was eenvoudig en geestdodend. Tenminste, als ze nog een geest gehad zou hebben om te doden. Maar ze kon er haar rekeningen mee betalen.

Zoals op de meeste dagen nam ze de bus naar het stadscentrum, waar ze in een goedkoop restaurant snel een eenvoudige maaltijd naar binnen werkte. En daarna begon ze aan haar dagelijkse missie: het bezoeken van boekwinkels en, als die na zeven uur allemaal gesloten waren, de plaatselijke openbare bibliotheek. Pas als die ook dicht ging, om tien uur, nam ze een andere bus terug naar het kleine appartement dat ze huurde. Ze hield natuurlijk van boeken, maar dat was niet de eigenlijke reden van haar frequente speurtochten. Ze was dringend naar iemand op zoek. Acht jaar geleden had Laura de Vries van de eigenaars van het kleine, succesvolle bedrijf waarvoor ze werkte veel geld gestolen en was vervolgens spoorloos verdwenen, met achterlating van haar gezin. En zij zou haar vinden! Ze zou ervoor zorgen dat ze dat hele bedrag terugbetaalde!

In een rommelige en slecht verlichte tweedehandsboekhandel plofte ze …

Read More »BG 316 – Vind de dief

BG 308 – Moeders huisdierhandeltje

Aanvankelijk hadden ze het niet ruim gehad, haar ouders, haar broers en zij. Haar vader zat vast in een saaie kantoorbaan en besteedde zijn vrije tijd aan drinken.
Maar haar moeder was een intelligente, humoristische en inventieve vrouw.
Ruim vier jaar geleden zette zij, tot verbazing van haar omgeving, een snel groeiend handeltje op, waarbij de kinderen meehielpen, en waar het hele gezin wel bij voer.
Voor maar 5 euro per stuk verkocht ze kleine, speciale huisdieren, die ouders en grootouders gretig aanschaften voor hun (klein)kinderen.
De beestjes veroverden binnen korte tijd het hele land.
Sinterklaas en de Kerstman konden er maar met moeite voldoende aanslepen.
Bij aankoop zaten ze in een schattig kartonnen doosje, met een handvatje waar precies twee vingers door pasten en met luchtgaatjes in het dekseltje.
Er zat ook een koordje aan het doosje, met behulp waarvan kinderen het huisdiertje rond hun nek mee naar buiten konden nemen om het uit te laten.
En verder hadden ze er vrijwel geen omkijken naar.
Ze konden de beestjes kunstjes leren. Vooral ‘zit!’ en ‘lig stil!’ deden het goed.
‘Rol om!’ werkte ook, maar dan moesten ze wel een handje meehelpen.
Toen de door haar moeder verkochte huisdieren het hoogtepunt van hun populariteit bereikt hadden, waren de geldzorgen van hun gezin voorgoed verleden tijd.
En zoals dat gaat met rages, ging ook deze stilletjes voorbij.
Haar moeder kreeg weer tijd om andere dingen te gaan doen en ook zij kon weer beschikken over haar eigen vrije tijd.
En als een eigenaartje het speciale huisdier beu werd, geen nood: dan kon hij of zij Rocky gewoon ergens in de tuin leggen.

BG 304 – Eksters

‘Tjakketjakketjakketjak, gjew gjew. Hé Kjew!’
‘Ja Kai?’
‘Zullen we kijken of ze het water al bijgevuld hebben? Tjakketjakketjakketjak, gjew.’
‘Ja, laten we dat maar doen.’
Ze verlaten hun boomtak en vliegen dichter naar het huis.
‘Gjew, gjew, kijk, daar heb je die sukkel! Mwoeha!’
‘Die leeuw, bedoel je?’
‘Tjakketjakketjakketjak, gjew, gjew. Ja zeg, hahaa, die Leo-kat! Snap jij waarom zijn mensen hem leeuw genoemd hebben?’
‘Geen idee.’
‘Hij is niet bepaald zo dapper als een leeuw. Kom, dan plagen we hem nog wat! Gjew, gjew, tjakketjakketjakketjak.’
Ze vliegen vlak achter elkaar over Leo’s hoofd. De kater rent van schrik weg en verstopt zich angstig onder het tafeltje in de hoek waarop zijn waterbakje staat.
‘Gjew, gjew, hmmm, lekker water! Fijn dat die mensen dat op tijd bijvullen.’
‘Je weet toch dat ze dat voor die Leo doen, hè?’
‘Ja, natuurlijk, …

Read More »BG 304 – Eksters

BG 298 – Ad blocker

Hun oude grootmoeder, die (tegen ruime betaling) door een weduwe op leeftijd die naast haar woonde liefdevol verzorgd werd, besloot enthousiast om voor haar zesentachtigste verjaardag haar eerste computer aan te schaffen.
Een desktop, met een groot scherm, een toetsenbord en een muis, want al die kleinere apparaatjes hadden volgens haar veel te kleine knopjes.
Tot hun aller verbazing werd Oma al snel handig met het apparaat. Ze overstelpte hen met e-mails, deelde interessante dingen die ze op het internet gevonden had en scande, printte en kopieerde naar hartenlust met dat handige apparaat dat ze erbij gekocht had.
De oudste van haar vier kleinkinderen had de boel voor haar geïnstalleerd en zorgde voor het onderhoud.
Hun enige zorg was dat Oma het slachtoffer zou worden van oplichters. Ze was immers niet opgegroeid met spam, scams en andere online manipulatie. Gelukkig had haar verzorgster daar wel ervaring mee, en die maakte Oma erop alert.
Dat ging lang goed.
Tot de kleinkinderen op een dag op bezoek kwamen en zagen …

Read More »BG 298 – Ad blocker

BG 291 – Voetgangersbrug in de schemering

In de avondschemering loopt een jonge vrouw gehaast over de voetgangersbrug bij het museum. Hoewel ze er met haar opvallende paarse krullen, roodomrande bril en kleurrijke kleren uitziet alsof ze nog maar zestien is, is ze in werkelijkheid twee keer zo oud.
Halverwege blijft ze stilstaan aan de reling, diept een glimmend zwart kiezelsteentje op uit haar jaszak, kijkt er nog een keer verlangend naar en werpt hem dan resoluut in de rivier. Zodra hij het water raakt, spat hij uiteen in een regenboog van kleuren, die een paar seconden later, als ze haar tranen wegknippert, weer verdwenen zijn.
Een half jaar geleden kreeg ze van haar dierbare grootmoeder – haar laatst overgebleven familielid – op diens sterfbed het mysterieuze steentje. Het kostbare kleinnood kon, zo legde oma uit, als ze er in de geborgenheid van een jas- of broekzak met haar vingers over wreef, dromen doen uitkomen. Dromen van haarzelf of van mensen die haar dierbaar waren.
Maar, zo waarschuwde oma Betty, de steen zoekt altijd naar evenwicht!
Voordat ze haar om meer uitleg had kunnen vragen, had oma helaas haar laatste adem uitgeblazen.
Ze huilt omdat ze haar oma mist, maar vooral ook om het leed dat ze onbedoeld heeft aangericht. Want hoewel ze sindsdien veel mooie dromen van zichzelf en van anderen heeft laten uitkomen, gebeurden er telkens rond diezelfde momenten erge dingen in haar omgeving, zoals plotselinge ziektes, stormen, ongelukken en zelfs sterfgevallen.
Eerst had ze die aan het toeval toegeschreven, maar inmiddels begrijpt ze dat ze al die ellende zelf heeft veroorzaakt! Het evenwicht van het steentje!
Ze veegt haar laatste tranen weg, verlaat met afgezakte schouders de brug en sjokt  door de donker wordende straten terug naar huis.

BG 289 – Een thriller in 33 woorden

Ze heeft hem bezocht in zijn ziekenhuiskamer en gelukkig gaat het goed met hem. Geduldig wacht ze tot de liftdeur opengaat en stapt gedachteloos in. Maar er… er is geen… geen lift! Aaaaaaaah!

BG 279 – Samen door één deur

Je hebt donkere kroegen en je hebt extreem donkere kroegen.
De Kraaiende Kip bij ons in de stad is er een uit die laatste categorie en het is onze favoriete uitgaansplek op drukke zaterdagavonden.
Wij zorgen er altijd voor dat we er op tijd zijn, zodat onze vaste plaats aan het einde van de lange toog nog vrij is, vanwaar we in het licht van een kaal peertje boven de deur een goed uitzicht hebben op wie er binnenkomt en wie er vertrekt en waar we bovendien in een grote spiegel aan de wand tegenover ons vaag kunnen zien wat er in het schaarse licht achter ons gebeurt.
Zo hebben we het graag: zitten in het semi-donker, maar onze omgeving toch in de gaten kunnen houden.

Onze heftige ruzie van deze namiddag is geluwd en we kunnen weer samen door één deur. Dus hebben we toch weer de bus naar hier genomen.
We komen altijd met de bus en gaan als het laat wordt met een taxi terug naar huis.
Het is zó druk in De Kip op zaterdagavond dat ik amper ruimte heb om naar de wc te gaan. En mijn tweelingzus Mirra moet dan natuurlijk mee.
De waard, Bolle Berend, kent ons goed en houdt ondertussen altijd onze barkruk voor ons bezet. Een goede vent is het, die Bolle. Wel jammer dat hij zo dik is.
Zelf geniet hij ook net iets te veel van de verschillende tapbieren en jenevertjes die hij scheutig schenkt voor vaste klanten en voor de vele toeristen, die zelfs als het buiten donker is toch de opvallende rode voordeur in de zwarte voorgevel van het pand weten te vinden. Dat er een grote …

Read More »BG 279 – Samen door één deur

BG 274 – Oud papier

Nee hè! Er wordt aan de deur gebeld op de vroege zaterdagochtend, om, wacht even, even op de wekker kijken: half acht! Wat is er verdorie aan de hand?
Kan een mens dan niet eens ongestoord uitslapen in zijn vrije weekend?
Mijn vrouw maak het niet uit, die slaapt zoals gewoonlijk overal doorheen.
Ik kom toch maar mijn bed uit, voor het geval er brand is ofzo. Ik doe mijn badjas en pantoffels aan, strompel de trap af, breek net niet mijn nek, en open de voordeur.
Op de stoep staan twee bleke kinderen, in druilerige motregen.
Ze praten desondanks luid en enthousiast door elkaar heen.
In mijn ogen wrijvend mopper ik ‘Wat moeten jullie? Wat is er aan de hand?’
Ze willen papier voor opa.
– Papier?
– Ja, voor opa!
– Voor ópa? Waar hébben ze het over?
– Ja, zeggen ze stralend, alsof ze verdomme niet doorhebben dat ze de hele buurt uit z’n bed bellen.
– Huh?
– Voor O.P.A.: de Oud Papier Actie voor de Gereformeerde Kerk, verduidelijkt een van hen met een hoog stemmetje.
Nee hè, die schijnheiligaards! Moest ik daarvoor mijn bed uit? Ik zal ze terugpakken!
– Wat voor soort papier?
– Oud papier!
– Ja, maar wat voor soort oud papier?
– Kranten enzo.
– Ik heb geen kranten!
Ze halen teleurgesteld …

Read More »BG 274 – Oud papier

BG 251 – Een thriller in 33 woorden

Zij was veertien, hij veel ouder. In het donker wachtte hij haar op. Wat hij wou maakte haar woedend. Ze was hijgend, zwetend en trillend ontsnapt, en hij lag dubbelgeklapt van de pijn.

BG 250 – Hoeft nergens heen

Terwijl de zon haar onbedekte schouders aangenaam verwarmt, bladert ze door het kwetsbare oude boek dat ze net tussen de anderen op een tafel op de tweedehands-boekenmarkt heeft ontdekt. Het is niet zomaar een stoffig oud boek, integendeel, ze is er al jaren naar op zoek en zou het graag aan haar verzameling toevoegen. Voorzichtig slaat ze de pagina’s om, leest hier en daar een stukje en bekijkt aandachtig het portret van de schrijfster voor in het boek. Haar hart stokt even als ze eronder een verbleekte handtekening ontdekt. Zacht volgt ze met haar wijsvinger de tere lijntjes. Met een glimlach en een zucht legt ze het boek terug. Helaas, het is te duur voor haar.

Soms kijkt ze even op van de boeken, naar de andere bezoekers van de markt. Ze pikt ze er direct uit, de echte boekenliefhebbers. Die hebben een rugzakje om, of sleuren een boodschappentas op wieltjes mee. Een rugzakje volstaat vandaag voor haar, ze is niet van plan om veel boeken te kopen. Alleen de meest bijzondere mogen, als ze betaalbaar zijn, met haar mee naar huis. Je kunt natuurlijk nooit te veel boeken hebben, maar wel op den duur te weinig plaats om ze nog op te bergen.
Ze is bezig aan haar tweede ronde langs de tafels en dozen vol boeken, om zich ervan te verzekeren dat ze niets gemist heeft. Ze geniet met volle teugen van het heerlijke zomerweer, maar misschien had ze beter geen mouwloos topje aangetrokken, want haar bleke huid verbrandt snel.

Aan de overkant ziet ze een intrigerende man van ongeveer haar leeftijd staan. Hij is verdiept in een stapeltje oude boeken en draagt gelukkig ook een rugzakje. Hij heeft een warme lichtbruine huid, die mooi afsteekt tegen zijn mosgroene T-shirt. En hij heeft een volle bos halflang donker haar, waarvan steeds een lok voor zijn ogen valt, die hij er dan gedachteloos weer wegstrijkt. Als hij zijn hoofd opheft, …

Read More »BG 250 – Hoeft nergens heen

BG 141 – Het Schommelrijk

‘Niet te hoog op die schommel!’ riep een onbekende mannenstem achter haar. Maar ze trok zich er niets van aan. De constructie kraakte af en toe, maar kon haar bijna volwassen lichaam prima dragen. Met haar handen stevig om de ruwe touwen, zittend op het gladgesleten eiken plankje, zwaaide ze haar benen recht naar voren en hangend in de touwen met de wind door haar haren ging ze alsmaar hoger en hoger.
Op het hoogste punt had ze even het gevoel dat haar ingewanden een sprongetje maakten, daarna zwaaide ze achteruit weer naar beneden. Voorbij het laagste punt trok ze haar voeten omhoog richting het plankje. Hoog achteraan hing ze een fractie van een seconde stil voordat ze met nog meer vaart en gestrekte benen trekkend aan de touwen weer naar voren zoefde.

Alsmaar hoger en hoger ging ze. Ze had het gevoel dat ze vloog, dat ze vrijkwam van de grond, van dit speelplein, van haar oude buurt, van haar bekrompen thuis.
Woehoe! Hoger en hoger! Naar voren – strekken, naar achteren – vouwen.
Strekken – vouwen, strekken – vouwen, strekken – vouwen.
Ze kon al over de bomen in de verte kijken en er miniatuurhuisjes zien staan en kleine autootjes en mensjes zien bewegen.
Een gevoel van ultieme vrijheid overspoelde haar.

‘Niet zo hoog op die schommel!’, riep diezelfde mannenstem achter haar. Oh nee? …

Read More »BG 141 – Het Schommelrijk