fictie

BG 340 – De Roltrap

Zucht… De vrouw van middelbare leeftijd staat nog steeds keurig rechtop, haar boodschappentas met beide handen tegen zich aan houdend, halverwege de stilstaande roltrap. Bijna alle lichten in de winkel zijn al uit…

Ruim een uur geleden had ze overdacht dat deze kledingwinkel, die haar ooit zo vertrouwd was geweest, wel erg veranderd was sinds zij er jaren geleden voor het laatst kwam. De kwaliteit van de kledingstukken was opvallend achteruit gegaan, vond ze, terwijl de prijzen juist flink gestegen waren. En het personeel – dat er in haar ogen wel érg jong uitzag – had niet eens aangeboden om hen te helpen! Het liep inmiddels tegen sluitingstijd en terwijl ze zich naar de roltrap begaf, zag ze dat ze de enige klant was die nog naar boven wou gaan. Nog snel even naar de schoenenafdeling. Althans, dat was wat ze haar nieuwe buurvrouw had wijsgemaakt. De (jongere) buurvrouw die dringend naar huis had gemoeten, omdat ze straks na het avondeten nog naar een vergadering moest – naar een vergadering! – en die haar bezorgd, of betuttelend, had gevraagd of het wel zou gaan, alleen naar boven gaan op die moderne roltrap en daarna alleen terug naar huis, met de bus. Natuurlijk zou dat wel gaan! Hou oud dacht ze wel dat zij was? In werkelijkheid ging ze trouwens helemaal niet naar de schoenenafdeling, maar naar de grote matenafdeling, die ook boven was.

De twee blouses die ze eerder die middag in een andere kledingwinkel had gekocht onder het goedkeurende oog van de buurvrouw en waarvan ze drommels goed wist dat ze haar twee maten te klein waren, ook al had ze ze meegenomen in een pashokje en net gedaan alsof ze ze gepast had, zou ze begin volgende week wel een keer terugbrengen. Gelukkig had haar buurvrouw haar nog niet zonder haar ruime lichtgrijze zomerjas of die oude slobberige sweater van gisteren gezien. Na een lichte aarzeling drukte ze op de knop en ja hoor, het groene licht ging aan en de roltrap kwam geruisloos in beweging.

Die roltrap was trouwens ook een opvallende verandering hier. Op een groot bord ernaast werd uitgelegd dat …

Read More »BG 340 – De Roltrap

BG 331 – U moet wel meewerken!

Een half jaar na mijn landverhuizing liep ik tegen een betonnen muur op. Een figuurlijke betonnen muur. Jarenlange niet of te laat erkende chronische gezondheidsproblemen en alles wat er komt kijken bij het afhandelen van een permanente verhuizing naar het buitenland eisten hun tol. Het ambulancepersoneel dat mijn man nog net op tijd had opgetrommeld redde, zo heb ik pas achteraf geweten, die dag mijn leven. Ik werd opgenomen op de afdeling medium care van het dichtsbijzijnde ziekenhuis in de nabije stad.

Van het ambulancepersoneel herinner ik me vooral dat ze meubels en mijn man opzij schoven om plaats te maken om mij op een brancard vast te binden. Ze praatten tegen me, dan weer kalm, dan weer urgent, maar hun woorden drongen niet tot me door. De rit naar het ziekenhuis, met zwaailichten en sirenes, leek ongeveer twee minuten te duren. Het zal in werkelijkheid een kwartier geweest zijn. Telkens weer klonken meerdere alarmen door elkaar heen in de krappe ruimte waar men tijdens het rijden probeerde mijn toestand te stabiliseren. De harde geluiden waren voor mijn gevoel nooit langer dan een uitademing achter elkaar stil.

Ik herinner me ook dat me naar mijn naam gevraagd werd. ‘Bea’ zei ik, trots dat ik de vraag begrepen had en zelfs het antwoord wist. Ik moest het een aantal malen herhalen voordat men me verstond. Na wat voor mij als drie seconden stuiteren over een kasseienweg aanvoelde, vroeg men weer naar mijn naam. ‘Nog steeds Bea’ antwoordde ik nu duidelijker. Dat was waarschijnlijk het moment waarop men wist dat ik het ging halen. Pas dagen later werd het me duidelijk dat ik in een diabetische shock had verkeerd en dat het ambulancepersoneel me net op tijd had weten te redden voordat ik weggegleden zou zijn in een onomkeerbare coma. Mij leek dat allemaal wat overdreven. Ik was gewoon moe geweest, ontzettend moe. Het leven had net wat te veel uitdagingen over me uitgestort.

Na een nacht en een halve dag op de medium care afdeling werd ik …

Read More »BG 331 – U moet wel meewerken!

BG 316 – Vind de dief

Om precies vijf uur sloot ze haar computer af, trok ze haar jas aan, en hing ze haar tas over haar schouder. Het kantoor was verder al uitgestorven. Haar collega’s hadden zoals gewoonlijk enkele minuten van hun werktijd afgesnoept. Op hun enthousiaste uitroepen als ‘fijne avond!’ en ‘tot morgen!’ had ze al die jaren niet gereageerd en niemand verwachtte dat nu nog van haar. Zo had ze het liever. Geen persoonlijk contact. Het administratieve werk dat ze deed was eenvoudig en geestdodend. Tenminste, als ze nog een geest gehad zou hebben om te doden. Maar ze kon er haar rekeningen mee betalen.

Zoals op de meeste dagen nam ze de bus naar het stadscentrum, waar ze in een goedkoop restaurant snel een eenvoudige maaltijd naar binnen werkte. En daarna begon ze aan haar dagelijkse missie: het bezoeken van boekwinkels en, als die na zeven uur allemaal gesloten waren, de plaatselijke openbare bibliotheek. Pas als die ook dicht ging, om tien uur, nam ze een andere bus terug naar het kleine appartement dat ze huurde. Ze hield natuurlijk van boeken, maar dat was niet de eigenlijke reden van haar frequente speurtochten. Ze was dringend naar iemand op zoek. Acht jaar geleden had Laura de Vries van de eigenaars van het kleine, succesvolle bedrijf waarvoor ze werkte veel geld gestolen en was vervolgens spoorloos verdwenen, met achterlating van haar gezin. En zij zou haar vinden! Ze zou ervoor zorgen dat ze dat hele bedrag terugbetaalde!

In een rommelige en slecht verlichte tweedehandsboekhandel plofte ze …

Read More »BG 316 – Vind de dief

BG 308 – Moeders huisdierhandeltje

Aanvankelijk hadden ze het niet ruim gehad, haar ouders, haar broers en zij. Haar vader zat vast in een saaie kantoorbaan en besteedde zijn vrije tijd aan drinken.
Maar haar moeder was een intelligente, humoristische en inventieve vrouw.
Ruim vier jaar geleden zette zij, tot verbazing van haar omgeving, een snel groeiend handeltje op, waarbij de kinderen meehielpen, en waar het hele gezin wel bij voer.
Voor maar 5 euro per stuk verkocht ze kleine, speciale huisdieren, die ouders en grootouders gretig aanschaften voor hun (klein)kinderen.
De beestjes veroverden binnen korte tijd het hele land.
Sinterklaas en de Kerstman konden er maar met moeite voldoende aanslepen.
Bij aankoop zaten ze in een schattig kartonnen doosje, met een handvatje waar precies twee vingers door pasten en met luchtgaatjes in het dekseltje.
Er zat ook een koordje aan het doosje, met behulp waarvan kinderen het huisdiertje rond hun nek mee naar buiten konden nemen om het uit te laten.
En verder hadden ze er vrijwel geen omkijken naar.
Ze konden de beestjes kunstjes leren. Vooral ‘zit!’ en ‘lig stil!’ deden het goed.
‘Rol om!’ werkte ook, maar dan moesten ze wel een handje meehelpen.
Toen de door haar moeder verkochte huisdieren het hoogtepunt van hun populariteit bereikt hadden, waren de geldzorgen van hun gezin voorgoed verleden tijd.
En zoals dat gaat met rages, ging ook deze stilletjes voorbij.
Haar moeder kreeg weer tijd om andere dingen te gaan doen en ook zij kon weer beschikken over haar eigen vrije tijd.
En als een eigenaartje het speciale huisdier beu werd, geen nood: dan kon hij of zij Rocky gewoon ergens in de tuin leggen.

BG 304 – Eksters

‘Tjakketjakketjakketjak, gjew gjew. Hé Kjew!’
‘Ja Kai?’
‘Zullen we kijken of ze het water al bijgevuld hebben? Tjakketjakketjakketjak, gjew.’
‘Ja, laten we dat maar doen.’
Ze verlaten hun boomtak en vliegen dichter naar het huis.
‘Gjew, gjew, kijk, daar heb je die sukkel! Mwoeha!’
‘Die leeuw, bedoel je?’
‘Tjakketjakketjakketjak, gjew, gjew. Ja zeg, hahaa, die Leo-kat! Snap jij waarom zijn mensen hem leeuw genoemd hebben?’
‘Geen idee.’
‘Hij is niet bepaald zo dapper als een leeuw. Kom, dan plagen we hem nog wat! Gjew, gjew, tjakketjakketjakketjak.’
Ze vliegen vlak achter elkaar over Leo’s hoofd. De kater rent van schrik weg en verstopt zich angstig onder het tafeltje in de hoek waarop zijn waterbakje staat.
‘Gjew, gjew, hmmm, lekker water! Fijn dat die mensen dat op tijd bijvullen.’
‘Je weet toch dat ze dat voor die Leo doen, hè?’
‘Ja, natuurlijk, …

Read More »BG 304 – Eksters

BG 304 – Magpies

‘Tjakketjakketjakketjak, gjew gjew. Hey Kjew!’
‘Yes Kai?’
‘Shall we see if they’ve refilled the water yet? Tjakketjakketjakketjak, gjew.’
‘Yeah, let’s do that.’
They leave their tree branch and fly closer to the house.
‘Gjew, gjew, look, there’s that loser! Hahah!’
‘That lion, you mean?’
‘Tjakketjakketjakketjak, gjew, gjew. Yes, hahaha, that Leo cat! Do you understand why his people called him a lion?’
‘No idea.’
‘He’s not exactly as brave as a lion. Come on, let’s tease him some more! Gjew, gjew, tjakketjakketjakketjak.’
They fly over Leo’s head in quick succession. The tomcat runs away in fright and hides anxiously under the table in the corner where his water bowl stands.
‘Gjew, gjew, hmmm, nice water! It’s good that those people refill it in time.’
‘You do know they do that for that Leo, right?’
‘Yes, of course, …

Read More »BG 304 – Magpies

BG 298 – Ad blocker

Hun oude grootmoeder, die (tegen ruime betaling) door een weduwe op leeftijd die naast haar woonde liefdevol verzorgd werd, besloot enthousiast om voor haar zesentachtigste verjaardag haar eerste computer aan te schaffen.
Een desktop, met een groot scherm, een toetsenbord en een muis, want al die kleinere apparaatjes hadden volgens haar veel te kleine knopjes.
Tot hun aller verbazing werd Oma al snel handig met het apparaat. Ze overstelpte hen met e-mails, deelde interessante dingen die ze op het internet gevonden had en scande, printte en kopieerde naar hartenlust met dat handige apparaat dat ze erbij gekocht had.
De oudste van haar vier kleinkinderen had de boel voor haar geïnstalleerd en zorgde voor het onderhoud.
Hun enige zorg was dat Oma het slachtoffer zou worden van oplichters. Ze was immers niet opgegroeid met spam, scams en andere online manipulatie. Gelukkig had haar verzorgster daar wel ervaring mee, en die maakte Oma erop alert.
Dat ging lang goed.
Tot de kleinkinderen op een dag op bezoek kwamen en zagen …

Read More »BG 298 – Ad blocker

BG 294 – Pipetje

[Uitdaging: op mijn verzoek schreef Marc vijf willekeurige woorden op, die ik moest gebruiken in een kort verhaal. Eén van de woorden moest het begin vormen van het verhaal, een ander het slot, en de resterende drie woorden moest ik verspreid in de tekst gebruiken. De woorden die Marc voor me koos: boomhut, verfomfaaid, poedel, kruisraket, pipetje.]

Pipetje was het onooglijk mormeltje dat voor een hondje door moest gaan bij onze naaste buren. Ze was een luidruchtig keffertje en ze kroop regelmatig op haar lelijke buikje onder onze haag door, zodat ze van nog dichterbij tegen me tekeer kon gaan. Het beestje had een onbestemde kleur: een vuil soort beige, met hier en daar wittige plukjes en rond haar kwijlende bekje vies donkerbruin. Uit haar loensende oogjes, die roodomrand waren van venijn, lekte een eveneens viezig bruin vocht, tot in geultjes naast haar merkwaardig lelijke, plakkerige neusje.

Voor Agnes en Theo, onze bejaarde buren, was het beestje het middelpunt van hun dagen. Door hun grenzeloze liefde voor Pipetje, of wellicht doordat ze niet zo goed meer zagen, viel het hen niet op hoe verfomfaaid het mormel er uitzag. En hun reukvermogen was waarschijnlijk ook niet al te best meer, want ze leken niet te merken dat het nogal stonk. Ik had hen herhaaldelijk voorgesteld om hun lieverdje af en toe eens een fijn bad te geven, maar dan legden ze uit dat Pipetje niet van schuimend water hield. Ja zeg, ze moest het ook niet opdrinken, hè! Ik had ooit overwogen om het gruweltje desnoods dan zélf een keer in bad te doen, maar dan zou ik het ten eerste moeten vasthouden (bah!) en ten tweede zou het dan de hele buurt bij elkaar krijsen en dus mijn oude buurtjes ongerust maken. Volgens mij was het hondje van onbestemde herkomst, een vuilnisbakkenrasje, maar haar eigenaars hielden dapper vol dat het een poedel was. Dus, vooruit dan maar, dan deden we maar net of het een poedel was.

Toen het zomer werd …

Read More »BG 294 – Pipetje

BG 291 – Voetgangersbrug in de schemering

In de avondschemering loopt een jonge vrouw gehaast over de voetgangersbrug bij het museum. Hoewel ze er met haar opvallende paarse krullen, roodomrande bril en kleurrijke kleren uitziet alsof ze nog maar zestien is, is ze in werkelijkheid twee keer zo oud.
Halverwege blijft ze stilstaan aan de reling, diept een glimmend zwart kiezelsteentje op uit haar jaszak, kijkt er nog een keer verlangend naar en werpt hem dan resoluut in de rivier. Zodra hij het water raakt, spat hij uiteen in een regenboog van kleuren, die een paar seconden later, als ze haar tranen wegknippert, weer verdwenen zijn.
Een half jaar geleden kreeg ze van haar dierbare grootmoeder – haar laatst overgebleven familielid – op diens sterfbed het mysterieuze steentje. Het kostbare kleinnood kon, zo legde oma uit, als ze er in de geborgenheid van een jas- of broekzak met haar vingers over wreef, dromen doen uitkomen. Dromen van haarzelf of van mensen die haar dierbaar waren.
Maar, zo waarschuwde oma Betty, de steen zoekt altijd naar evenwicht!
Voordat ze haar om meer uitleg had kunnen vragen, had oma helaas haar laatste adem uitgeblazen.
Ze huilt omdat ze haar oma mist, maar vooral ook om het leed dat ze onbedoeld heeft aangericht. Want hoewel ze sindsdien veel mooie dromen van zichzelf en van anderen heeft laten uitkomen, gebeurden er telkens rond diezelfde momenten erge dingen in haar omgeving, zoals plotselinge ziektes, stormen, ongelukken en zelfs sterfgevallen.
Eerst had ze die aan het toeval toegeschreven, maar inmiddels begrijpt ze dat ze al die ellende zelf heeft veroorzaakt! Het evenwicht van het steentje!
Ze veegt haar laatste tranen weg, verlaat met afgezakte schouders de brug en sjokt  door de donker wordende straten terug naar huis.

BG 289 – Een thriller in 33 woorden

Ze heeft hem bezocht in zijn ziekenhuiskamer en gelukkig gaat het goed met hem. Geduldig wacht ze tot de liftdeur opengaat en stapt gedachteloos in. Maar er… er is geen… geen lift! Aaaaaaaah!

BG 285 – 100 Woorden Fictie

Geparkeerde auto

Op het parkeerterrein van het winkelcentrum stond, in de brandende zomerzon, een donkere Mercedes, met een raam op een kiertje en een briefje op het raam.
Recent had de politie meerdere honden uit veel te hete auto’s moeten bevrijden – de arme beesten! – dus ik besloot toch even te gaan kijken.
Dit is wat ik las:

Wees niet ongerust!
Ik ben aan het winkelen.
Hij heeft airconditioning, water en zijn favoriete snoepjes.
Hij heeft het liever zo!

De ramen waren getint, dus ik gluurde door de open kier.
Er lag een grote, volwassen man in de auto te slapen…

BG 281 – Boekenrevolutie

In een tijd lang, lang geleden, nog voor het begin van de automatisering, werden er veel boeken gelezen. En toen de mensheid dan eindelijk die donkere tijden van onwetendheid en eenzaamheid achter zich liet, en zich via digitale schermen wereldwijd met elkaar in verbinding stelde, was er een relatief korte periode waarin boeken niet meer populair waren.

Logisch natuurlijk, want onze nieuwe schermen brachten ons vele andere bronnen van informatie en vermaak. En het was allemaal nog nieuw, dus we hadden nog niet geleerd te doseren. We verloren tijdelijk het vermogen om ons langer dan dertig seconden op iets te concentreren en we waren bang dat als we iets voor onszelf zouden doen, zoals het lezen van een boek, we dingen zouden missen en daardoor niet meer bij de groep zouden horen. Bij de groep? Hoor ik je denken. Ja, echt! Want hoewel we toen dus eindelijk de mogelijkheden hadden om ons wereldwijd met alle mensen te verbinden, vonden de meeste mensen dat beangstigend en wilden ze meer dan ooit voorheen bij een groep gelijkgestemden horen.
Enfin, de geschiedenis leert ons de ernstige gevolgen van dat gedrag.

Schermen werden in een snel tempo onmisbaar. Ik hoor je nu in de lach schieten, maar echt, er was een periode waarin de meeste mensen dag en nacht hun schermen afspeurden en je overal om je heen de piepjes van telefoons uit broekzakken of handen hoorde klinken. Er gebeurden ook veel onnodige ongelukken doordat mensen constant, lopend op straat of tijdens het besturen van een voertuig, op hun schermen tuurden of er tegen spraken.
Veel mensen droegen zelfs permanent hun telefoon in hun hand of …

Read More »BG 281 – Boekenrevolutie

BG 279 – Samen door één deur

Je hebt donkere kroegen en je hebt extreem donkere kroegen.
De Kraaiende Kip bij ons in de stad is er een uit die laatste categorie en het is onze favoriete uitgaansplek op drukke zaterdagavonden.
Wij zorgen er altijd voor dat we er op tijd zijn, zodat onze vaste plaats aan het einde van de lange toog nog vrij is, vanwaar we in het licht van een kaal peertje boven de deur een goed uitzicht hebben op wie er binnenkomt en wie er vertrekt en waar we bovendien in een grote spiegel aan de wand tegenover ons vaag kunnen zien wat er in het schaarse licht achter ons gebeurt.
Zo hebben we het graag: zitten in het semi-donker, maar onze omgeving toch in de gaten kunnen houden.

Onze heftige ruzie van deze namiddag is geluwd en we kunnen weer samen door één deur. Dus hebben we toch weer de bus naar hier genomen.
We komen altijd met de bus en gaan als het laat wordt met een taxi terug naar huis.
Het is zó druk in De Kip op zaterdagavond dat ik amper ruimte heb om naar de wc te gaan. En mijn tweelingzus Mirra moet dan natuurlijk mee.
De waard, Bolle Berend, kent ons goed en houdt ondertussen altijd onze barkruk voor ons bezet. Een goede vent is het, die Bolle. Wel jammer dat hij zo dik is.
Zelf geniet hij ook net iets te veel van de verschillende tapbieren en jenevertjes die hij scheutig schenkt voor vaste klanten en voor de vele toeristen, die zelfs als het buiten donker is toch de opvallende rode voordeur in de zwarte voorgevel van het pand weten te vinden. Dat er een grote …

Read More »BG 279 – Samen door één deur

BG 274 – Oud papier

Nee hè! Er wordt aan de deur gebeld op de vroege zaterdagochtend, om, wacht even, even op de wekker kijken: half acht! Wat is er verdorie aan de hand?
Kan een mens dan niet eens ongestoord uitslapen in zijn vrije weekend?
Mijn vrouw maak het niet uit, die slaapt zoals gewoonlijk overal doorheen.
Ik kom toch maar mijn bed uit, voor het geval er brand is ofzo. Ik doe mijn badjas en pantoffels aan, strompel de trap af, breek net niet mijn nek, en open de voordeur.
Op de stoep staan twee bleke kinderen, in druilerige motregen.
Ze praten desondanks luid en enthousiast door elkaar heen.
In mijn ogen wrijvend mopper ik ‘Wat moeten jullie? Wat is er aan de hand?’
Ze willen papier voor opa.
– Papier?
– Ja, voor opa!
– Voor ópa? Waar hébben ze het over?
– Ja, zeggen ze stralend, alsof ze verdomme niet doorhebben dat ze de hele buurt uit z’n bed bellen.
– Huh?
– Voor O.P.A.: de Oud Papier Actie voor de Gereformeerde Kerk, verduidelijkt een van hen met een hoog stemmetje.
Nee hè, die schijnheiligaards! Moest ik daarvoor mijn bed uit? Ik zal ze terugpakken!
– Wat voor soort papier?
– Oud papier!
– Ja, maar wat voor soort oud papier?
– Kranten enzo.
– Ik heb geen kranten!
Ze halen teleurgesteld …

Read More »BG 274 – Oud papier

BG 251 – Een thriller in 33 woorden

Zij was veertien, hij veel ouder. In het donker wachtte hij haar op. Wat hij wou maakte haar woedend. Ze was hijgend, zwetend en trillend ontsnapt, en hij lag dubbelgeklapt van de pijn.

BG 250 – Hoeft nergens heen

Terwijl de zon haar onbedekte schouders aangenaam verwarmt, bladert ze door het kwetsbare oude boek dat ze net tussen de anderen op een tafel op de tweedehands-boekenmarkt heeft ontdekt. Het is niet zomaar een stoffig oud boek, integendeel, ze is er al jaren naar op zoek en zou het graag aan haar verzameling toevoegen. Voorzichtig slaat ze de pagina’s om, leest hier en daar een stukje en bekijkt aandachtig het portret van de schrijfster voor in het boek. Haar hart stokt even als ze eronder een verbleekte handtekening ontdekt. Zacht volgt ze met haar wijsvinger de tere lijntjes. Met een glimlach en een zucht legt ze het boek terug. Helaas, het is te duur voor haar.

Soms kijkt ze even op van de boeken, naar de andere bezoekers van de markt. Ze pikt ze er direct uit, de echte boekenliefhebbers. Die hebben een rugzakje om, of sleuren een boodschappentas op wieltjes mee. Een rugzakje volstaat vandaag voor haar, ze is niet van plan om veel boeken te kopen. Alleen de meest bijzondere mogen, als ze betaalbaar zijn, met haar mee naar huis. Je kunt natuurlijk nooit te veel boeken hebben, maar wel op den duur te weinig plaats om ze nog op te bergen.
Ze is bezig aan haar tweede ronde langs de tafels en dozen vol boeken, om zich ervan te verzekeren dat ze niets gemist heeft. Ze geniet met volle teugen van het heerlijke zomerweer, maar misschien had ze beter geen mouwloos topje aangetrokken, want haar bleke huid verbrandt snel.

Aan de overkant ziet ze een intrigerende man van ongeveer haar leeftijd staan. Hij is verdiept in een stapeltje oude boeken en draagt gelukkig ook een rugzakje. Hij heeft een warme lichtbruine huid, die mooi afsteekt tegen zijn mosgroene T-shirt. En hij heeft een volle bos halflang donker haar, waarvan steeds een lok voor zijn ogen valt, die hij er dan gedachteloos weer wegstrijkt. Als hij zijn hoofd opheft, …

Read More »BG 250 – Hoeft nergens heen

BG 236 – Dit is nu mijn leven

Vroeg in de avond riepen we onze twee katten binnen voor de nacht. Daisy kwam er direct aangerend, maar Leo was nergens te bekennen. Enfin, het was mooi weer, dus misschien wou hij nog wat langer buiten blijven. Toen ik vlak voor middernacht naar bed wou gaan, controleerde ik nog een keer of hij al thuis was. En ja hoor, hij lag op de onderste verdieping van een van onze houten tuintafeltjes. Hij keek me opgewekt aan en ik kon hem van afstand horen spinnen, maar hij kwam niet naar de deur. Nu, Leo is soms een beetje een sukkel en hij heeft, acht jaar oud, waarschijnlijk ook last van pijnlijke gewrichten, dus ik ben hem maar gaan halen. Maar tot mijn schrik zakte hij binnen op de deurmat direct weer door zijn poten en bleef hij zo met zijn kinnetje plat op de mat liggen. Ik heb eerst de deur afgesloten en het rolluik ervoor laten zakken, en hem toen onderzocht. Ik ben begonnen bij zijn nek, want hij heeft al vaak aan gevechten met andere katers wonden en abcessen overgehouden. Onze lokale dierenarts verdient goed aan hem, of eigenlijk aan ons dus. Het viel me op dat hij veel kleine korstjes had rond zijn halsbandje. Toen ik hem opnieuw op zijn poten wou zetten, zakte hij er direct weer doorheen. Ondertussen bleef hij vrolijk spinnen. Maar dat betekent niks bij Leo, die ook gewoon vrolijk spint als je een teek bij hem verwijdert, als je een wond van hem behandelt, of als hij op de onderzoekstafel van de dierenarts zit. Zalig onwetend. Ik was ongerust en heb Marc geroepen, die al een tijdje lag te slapen. Die constateerde al gauw wat ik tot nu toe vanaf Leo’s rugzijde gemist had: de sufferd had zijn rechter voorpootje door zijn halsbandje gestoken. Daardoor kon hij dus waarschijnlijk al heel de avond niet meer staan of lopen, en daarom had hij de huid rond zijn halsbandje kapot gekrabd. En, in plaats van dat pootje weer tussen het bandje en zijn keel uit te trekken had hij blijkbaar besloten ‘dit is nu mijn leven’.

BG 222 – Op het strand

Het primitieve bankje in de felle zon op het strand, gemaakt van een ruwe plank op twee ingegraven palen, is niet echt geschikt om prettig op te zitten. Maar het is dát of met zijn zware lichaam rechtstreeks op het gloeiendhete zand neerploffen. Hij heeft geprobeerd zich in de schaduw terug te trekken, op de grond met zijn rug tegen een van de palmbomen, maar al snel ontdekt dat daar allemaal vervelende kriebelende en stekende beestjes leven. Zijn korte broek en T-shirt zijn bezweet en gekreukt, er zit constant zand tussen zijn opgezwollen voeten en de zolen van zijn leren sandalen, zijn bleke huid is roodverbrand, hij heeft last van jeukende insectenbeten, en zijn rug doet pijn. Hadden ze het bankje niet op z’n minst van een rugleuning kunnen voorzien? Puffend trekt hij de vuile zakdoek met in iedere hoek een knoop van zijn kalende hoofd en wrijft er maar weer eens het zweet mee van zijn gezicht.

Ze hebben hem een soort van hutje toegewezen voor de nacht. Meer een platformpje eigenlijk. Het staat op palen, is gemaakt van ruwe boomstammetjes en heeft een schuin dak van grote gedroogde bladeren. Een oude, vieze doek op een laagje kriebelige kokosvezels dient als matras, maar hij kan er niet comfortabel op liggen. In het midden onder het afdak is een klamboe bevestigd, waarvan hij de hoeken aan haken in het hout kan vastmaken. Maar het gaas sluit niet goed en weerhoudt de vreemde insecten die hier vooral ’s nachts actief zijn er niet van om te drinken van zijn zweet en soms ook van zijn bloed. Een ondiepe kuil in het zand, zo’n tien meter achter zijn hutje, met daarnaast een paal om zich aan vast te houden, doet dienst als toilet. Ondanks dat hij het na gebruik afdekt met een laagje zand, dringt de geur ’s nachts tot zijn slaapplaats door.

En overdag zit hij dus op het bankje, in de brandende zon, met zijn ogen half dichtgeknepen te turen over het water in de hoop dat er binnenkort een schip zal verschijnen. …

Read More »BG 222 – Op het strand

BG 205 – Het zebrapad

Deze keer was De Maakster niet bezig aan haar dagelijkse wandeling door Rustig Belgisch Dorp, maar reed ze in haar auto door het centrum van een naburig dorp.
Schuin voor haar reed, op de daarvoor bedoelde baan, een vrouw op een fiets, met aan haar andere kant een kleutertje op een schattig klein fietsje. Terwijl De Maakster een zebrapad naderde, sloeg De Fietster pardoes linksaf dat zebrapad op, zonder eerst te stoppen en zonder om zich heen te kijken.

Gelukkig lette De Maakster goed op en kon ze vlak voor het zebrapad remmen, op ruime afstand van De Fietster. Die was enorm geschrokken, sprong van haar zadel en zette haar voeten aan weerszijden van haar fiets op de grond. Tegelijkertijd greep ze haar kindje bij de schouder om het te doen stoppen. Het jongetje, met een fietshelmpje op, schrok daar natuurlijk van, zette moeizaam een voetje op de grond en wankelde even, schuin op zijn zadel, voordat het zijn evenwicht hervond.

De Fietster keek De Maakster woedend aan en begon heel hard tegen haar te razen en te tieren. Wijzend over de lengte van het zebrapad riep ze ‘Dit is hier goddomme een zebrapad!’ …

Read More »BG 205 – Het zebrapad

BG 199 – Voltooid verleden tijd

– Hé hallo! Dat is lang geleden, zeg!
Ze heeft hem herkend. Hij komt naar haar tafel toe.
Hij heeft nog steeds dat dwaze kapsel en hij draagt zelfs nog precies dezelfde jas.
Er zijn nog andere tafels vrij. Ze was hier liever alleen blijven zitten.
Maar hij heeft de rugleuning van de stoel tegenover haar al beet.
– Dus, ik zei – je hoorde me waarschijnlijk niet – dat is lang geleden!
Zijn gezicht straalt van blijdschap.
– Ja.
Antwoordt ze. Dat kan zowel op dat lang geleden slaan als op dat ze hem wel degelijk gehoord heeft.
Met veel poeha trekt hij zijn jas uit, hangt die over de leuning van zijn stoel en gaat er puffend op zitten.
– Hè hè, ik zit.
Ja, dat is iedereen wel opgevallen. Hij schuift zijn stoel lawaaierig wat dichter naar het ronde tafelblad en legt zijn onderarmen en ellebogen erop.
– Goh, dat ik jou hier tegenkom!
Net iets te luid, zoals vroeger. Niet alleen voor haar bedoeld, maar …

Read More »BG 199 – Voltooid verleden tijd

BG 187 – Ajam en haar Oosterse tapijten

De weg door Ajam’s dorpje op de droge hoogvlakte is vrijwel het hele jaar een zacht en kleurrijk tapijt. Letterlijk.
Ajam’s moeder leidt de plaatselijke tapijtwerkplaats, waar tapijten in veel verschillende motieven, kleuren en afmetingen met de hand geweven of geknoopt worden door vrouwen en kinderen.
Haar moeder heeft haar verteld dat sommige van de ingewikkeldste ontwerpen al honderden jaren op dezelfde manier worden gemaakt.
En als ze klaar zijn, dan helpt Ajam mee om de tapijten uit te spreiden op de zanderige weg, zodat hun kleuren kunnen verbleken in de felle zon.
De dorpelingen lopen over de tapijten heen. En ze laten er zelfs hun ezeltjes en geiten overheen lopen. Ajam en haar vriendinnetjes spelen op de tapijten, en de jongens uit het dorp voetballen erop.
En heel af en toe rijdt er een auto of een motor door het dorpje, ook over de kleurrijke tapijten.
Ongeveer eenmaal per week …

Read More »BG 187 – Ajam en haar Oosterse tapijten

BG 180 – Een fijne dag!

Terwijl zij de laatste berichtjes op zijn telefoon bekeken, alvorens die te wissen en het apparaat opzij te leggen om het later aan een nichtje of neefje te geven dat er nog geen had – grootvader was immers begraven en had hem zelf niet meer nodig, en ze waren bezig aan de emotioneel zware taak om zo’n zestig jaar aan verzamelde spullen in zijn rommelige bejaardenwoninkje door te nemen en te beslissen wat ze onder elkaar zouden verdelen, wat er naar de kringwinkel zou gaan en wat ze naar het containerpark zouden brengen – zagen ze dat het laatste berichtje dat hij bij leven ontvangen had van zijn kleindochter Maddie was. Het luidde ‘Een fijne dag, opa!’ Ze waren ontroerd. Maddie was pas zes jaar oud, had nog maar net leren lezen en schrijven en was nog maar een maand in het bezit van haar eerste telefoon.

Drie weken later nam Maddie aan het einde van een leuke schooldag afscheid van haar klasgenootjes alvorens naar huis te gaan. Haar vriendje Joris had ze eerst even apart genomen en plechtig ‘Een fijne dag, Joris!’ toegewenst, waarop Joris lachend ‘Bedankt!’ had gezegd; de dag was immers al grotendeels voorbij en ze had er zo ongewoon serieus bij gekeken. Hij keek haar na terwijl ze weghuppelde.
De volgende dag kwam Joris niet op school. …

Read More »BG 180 – Een fijne dag!

BG 168 – De gil

Een ijzingwekkende gil sneed door de koude mistige nacht.
Ze schrok. Wat was dat? Een vrouw? Ze zette het geluid van de tv uit, hield haar adem in en luisterde.
Aanvankelijk hoorde ze niets, maar net toen ze weer moest ademen, klonk het gedempte geluid van wegrennende schoenen door de uitgestorven straat, gevolgd door een geladen stilte.

Wat moest ze doen? Naar buiten gaan om te helpen?
Had er echt iemand hulp nodig, of had ze zich die angstkreet maar verbeeld?
Ze deed de lichten uit in haar woonkamer en atelier. Nu scheen er enkel nog een zwakke strook licht van een straatlantaarn naar binnen, daar waar een van de rolluiken niet meer goed sloot. Ze liep erheen, bukte zich en tuurde door de opening naar buiten.

Op het eerste gezicht was er niets te zien.
Weer hield ze haar adem in om goed te kunnen luisteren.
Even dacht ze een nieuwe gil te horen, maar dat bleek …

Read More »BG 168 – De gil

BG 145 – 100 Woorden Fictie

Twee treden

Hij brak bijna zijn nek toen hij ‘s avonds laat op het houten opstapje voor de boekenkast op de tenen van één voet reikte naar een dik oud boek op de bovenste plank. Toen hij zijn evenwicht hervonden had en weer stevig op het trapje stond, sloeg hij het boek op een willekeurige plaats open. Vreemd genoeg voelde het of de opengeslagen pagina de hele avond al aan hem had geroepen. De tekst beschreef een oudere man die opgewonden in een antiek boek bladerde en er bijzonder waardevolle informatie in ontdekte, vlak voordat hij een dodelijke val maakte.

BG 141 – Het Schommelrijk

‘Niet te hoog op die schommel!’ riep een onbekende mannenstem achter haar. Maar ze trok zich er niets van aan. De constructie kraakte af en toe, maar kon haar bijna volwassen lichaam prima dragen. Met haar handen stevig om de ruwe touwen, zittend op het gladgesleten eiken plankje, zwaaide ze haar benen recht naar voren en hangend in de touwen met de wind door haar haren ging ze alsmaar hoger en hoger.
Op het hoogste punt had ze even het gevoel dat haar ingewanden een sprongetje maakten, daarna zwaaide ze achteruit weer naar beneden. Voorbij het laagste punt trok ze haar voeten omhoog richting het plankje. Hoog achteraan hing ze een fractie van een seconde stil voordat ze met nog meer vaart en gestrekte benen trekkend aan de touwen weer naar voren zoefde.

Alsmaar hoger en hoger ging ze. Ze had het gevoel dat ze vloog, dat ze vrijkwam van de grond, van dit speelplein, van haar oude buurt, van haar bekrompen thuis.
Woehoe! Hoger en hoger! Naar voren – strekken, naar achteren – vouwen.
Strekken – vouwen, strekken – vouwen, strekken – vouwen.
Ze kon al over de bomen in de verte kijken en er miniatuurhuisjes zien staan en kleine autootjes en mensjes zien bewegen.
Een gevoel van ultieme vrijheid overspoelde haar.

‘Niet zo hoog op die schommel!’, riep diezelfde mannenstem achter haar. Oh nee? …

Read More »BG 141 – Het Schommelrijk

BG 132 – 100 Woorden Fictie

Rotboom met schijtvogels

Liggend op zijn rug, in het jonge gras, onder de krulhazelaar.
De takken bewegen sierlijk in de wind. De bladeren zijn frisgroen, de lucht erboven lichtblauw, de schapenwolkjes schattig wit.
Hij sluit het lawaai van de stad buiten, concentreert zich op het gekwetter van de vogels.
Eksters, ekster-vogels. Er zit elke dag een tweetal in de krulhazelaar.
Elke dag dezelfde? Hij weet het niet, hij kent ze niet uit elkaar.
Ze zal niet meer komen. Vandaag niet, morgen niet, heel de zomer niet.
Ze zal de ekster-vogels nooit meer met hem zien.
Godverdomme, precies in zijn oog!

BG 125 – 100 Woorden Fictie

Nieuwe route

Deze keer was alles anders. De route, het gevoel, de aankomsttijd, de bestemming. Ze liep langs het verlaten spoor en voelde de koude regen, maar in de verte was er altijd de bergtop, soms gehuld in mist of verwaterd door regen, vaker zilvergrijs glinsterend in de verre zon, ook al liep ze zelf in de schaduw. De vorige keer, op de vorige route, was ze hij. Hij liep, ergens anders heen, in een andere tijd, naar een ander lot. Aanvankelijk was vandaag veelbelovender, uitdagender, maar uiteindelijk toch weer gewoon, als altijd. Zij liep dichtbij waar hij vroeger liep.

BG 70 – 100 Woorden Fictie

Ook al is dat niet zo

Je hebt gezegd dat je – ja hoor – graag een keer in een tentje in de tuin kampeert. Dat je dat leuk vindt, zo bijna onder de blote hemel, met je bijna blote lijf, als het zo warm is als nu. Je hebt gezegd dat je er – ja natuurlijk – mee door wilt gaan, ook al heeft je vriendin afgezegd. Je hebt gezegd dat je geen problemen hebt met kriebelende en zoemende beestjes en dat je prima slapen kunt op zo’n dun matrasje op de oneffen ondergrond.
En dat je ’s nachts gelukkig nooit hoeft te plassen.

BG 63 – 100 Woorden Fictie

Ze waren zogenaamd smokkelaars

Dat ze smokkelaars waren, had ze gezegd, dat dat ‘oeh’ spannend was! Dat ze moesten uitkijken voor de douane. Hij wist niet wie dat was, de douane. Gelukkig had ze gezegd dat ze terug zou komen, later, om hem te halen. Hij had haar geloofd. Dat ze zijn jas had moeten meenemen natuurlijk, als bewijs. Het was koud. Dat hij de weg kon vinden door te kijken aan welke kant van de boomstammen het mos groeide. Maar het was donker. Ze zou terugkomen, om hem te halen. Hij wist niet zeker of hij haar nog geloofde.