kort verhaal door Bea Graansma

BG 141 – Het Schommelrijk

‘Niet te hoog op die schommel!’ riep een onbekende mannenstem achter haar. Maar ze trok zich er niets van aan. De constructie kraakte af en toe, maar kon haar bijna volwassen lichaam prima dragen. Met haar handen stevig om de ruwe touwen, zittend op het gladgesleten eiken plankje, zwaaide ze haar benen recht naar voren en hangend in de touwen met de wind door haar haren ging ze alsmaar hoger en hoger.
Op het hoogste punt had ze even het gevoel dat haar ingewanden een sprongetje maakten, daarna zwaaide ze achteruit weer naar beneden. Voorbij het laagste punt trok ze haar voeten omhoog richting het plankje. Hoog achteraan hing ze een fractie van een seconde stil voordat ze met nog meer vaart en gestrekte benen trekkend aan de touwen weer naar voren zoefde.

Alsmaar hoger en hoger ging ze. Ze had het gevoel dat ze vloog, dat ze vrijkwam van de grond, van dit speelplein, van haar oude buurt, van haar bekrompen thuis.
Woehoe! Hoger en hoger! Naar voren – strekken, naar achteren – vouwen.
Strekken – vouwen, strekken – vouwen, strekken – vouwen.
Ze kon al over de bomen in de verte kijken en er miniatuurhuisjes zien staan en kleine autootjes en mensjes zien bewegen.
Een gevoel van ultieme vrijheid overspoelde haar.

‘Niet zo hoog op die schommel!’, riep diezelfde mannenstem achter haar. Oh nee? Dat zullen we nog wel eens zien! En ze ging nóg hoger, alsmaar hoger.
Misschien, heel misschien, kon ze een salto maken. Als ze maar genoeg vaart wist te maken. Genoeg vaart om niet recht boven de schommel naar beneden te vallen en haar botten te breken op de houten constructie.
Beter nog: ze zou eruit springen. Eruit springen op het voorste hoogste punt. Dat had ze al vaker gedaan. Hoger, hoger, alsmaar hoger, en dan op het stilvalpunt loslaten en de schommel zonder haar terug laten vallen. Door de vaart die ze maakte zou ze nog een heel eind naar voren vliegen. Echt vliegen!

Toen ze klein was en met blote voeten schommelde, had dat een keer verkeerd uitgepakt: ze had een oude rol prikkeldraad in het hoge gras niet opgemerkt en was er met haar voet op geland. Het wondje had flink gebloed en ze was hinkend naar huis gegaan om het te laten uitwassen, met jodium te laten ontsmetten, en er een pleister op te laten plakken. Daarna was ze direct weer buiten gaan spelen, maar ze mocht van thuis nooit meer van een schommel afspringen.
Dat was jaren geleden. Ze was inmiddels oud en wijs genoeg om daar zelf over te beslissen.

Af en toe zette ze halverwege de achterwaartse zwaai met haar voeten af op de grond om nog meer snelheid en hoogte te krijgen. Dat moest ze precies op het juist moment doen, want anders zou ze gaan slingeren en juist hoogte verliezen.
Swoesj omhoog, en swoesj weer naar beneden, stamp, snel haar benen weer optrekken en swoesj achteruit omhoog!

Ze genoot met volle teugen. Naar voren weer, haar benen zo ver mogelijk uitstekend. Maar…, wat was dat? Op het hoogste punt waren de tenen van haar schoenen heel even verdwenen…
Nog sneller, nog hoger! En deze keer zag ze heel haar voeten niet meer!
Woehoe! Hoe was dat mogelijk?
Nog harder, nog verder! Nu waren zelfs haar enkels even onzichtbaar!
‘Hé dametje, niet zo hoog!’ riep de man achter haar nu. Maar die moest zich er niet mee bemoeien. En ja hoor, telkens als ze een stukje verder vooruit en omhoog ging, werd er een groter stuk van haar benen onzichtbaar.
Zouden de anderen dat ook zien? Links van haar was een kleine jongen aan het schommelen, maar die ging lang niet zo hoog als zij.

Zou ze springen? ‘Niet van de schommel springen!’ weerklonk een stem uit het verleden in haar gedachten, maar hier was het gras pas gemaaid en lag er geen oude rol prikkeldraad in verborgen. Nog een paar keer naar achteren en naar voren en dan, als ze echt niet hoger kon, zou ze springen.
Daar ging ze! Joehoe!

De schommel viel zonder haar terug en bleef nog een tijdje uit zichzelf bewegen.
Nu was het alleen nog een leeg houten plankje aan twee touwen.
Er klonken verbaasde kreten. Het was de omstanders opgevallen dat ze niet meer op de schommel zat. Ze keken om zich heen, zochten haar. Waar kon ze toch gebleven zijn? Voor hen strekte zich alleen maar een kaal grasveld uit, waar je je niet kon verbergen. Waar was ze in vredesnaam gebleven?
‘Hé hallooo?’ ‘Hé, waar ben je?’

Ze hoorde in de verte hun stemmen terwijl ze zacht landde op weelderig mos dat groeide op een open plek in een haar onbekend mysterieus bos. Het was er prachtig!
Voor het eerst in haar leven was ze vrij, helemaal vrij!

BG 134 – De Klapkoe

Vanmorgen kwam De Maakster op haar dagelijkse wandeling door Rustig Belgisch Dorp langs de Noensewegel, een idyllisch fiets/voetpad met aan de rechterkant, achter een hek van gaas en daarna een slootje, koeien in weilanden. Het was gebruikelijk bij mooi weer dat er zich in één van de weilanden een groep koeien bevond, maar deze keer had de boer ze verspreid over meerdere, waarschijnlijk omdat er kortgeleden gehooid was en er per veld niet veel te eten was overgebleven.

De Maakster bleef stilstaan om te kijken naar een koe die vlak bij haar, op een meter van het slootje, lag te herkauwen en daarbij telkens haar gebit met een opmerkelijk lawaai op elkaar klapte. Alsof ze een slechtzittend kunstgebit had.
Het was eigenlijk maar een lelijk dier. Ze had een vuilwitte kleur met hier en daar wat lichtgrijze vlekken, die er uitzagen alsof je ze er met een tuinslang zo af zou kunnen spoelen. Maar ze had iets speciaals: dat geklap met haar tanden. Het beest kwam moeizaam met haar dikke langgerekte lijf op vrij korte poten overeind, …

Read More »BG 134 – De Klapkoe

BG 132 – 100 Woorden Fictie

Rotboom met schijtvogels

Liggend op zijn rug, in het jonge gras, onder de krulhazelaar.
De takken bewegen sierlijk in de wind. De bladeren zijn frisgroen, de lucht erboven lichtblauw, de schapenwolkjes schattig wit.
Hij sluit het lawaai van de stad buiten, concentreert zich op het gekwetter van de vogels.
Eksters, ekster-vogels. Er zit elke dag een tweetal in de krulhazelaar.
Elke dag dezelfde? Hij weet het niet, hij kent ze niet uit elkaar.
Ze zal niet meer komen. Vandaag niet, morgen niet, heel de zomer niet.
Ze zal de ekster-vogels nooit meer met hem zien.
Godverdomme, precies in zijn oog!

BG 125 – 100 Woorden Fictie

Nieuwe route

Deze keer was alles anders. De route, het gevoel, de aankomsttijd, de bestemming. Ze liep langs het verlaten spoor en voelde de koude regen, maar in de verte was er altijd de bergtop, soms gehuld in mist of verwaterd door regen, vaker zilvergrijs glinsterend in de verre zon, ook al liep ze zelf in de schaduw. De vorige keer, op de vorige route, was ze hij. Hij liep, ergens anders heen, in een andere tijd, naar een ander lot. Aanvankelijk was vandaag veelbelovender, uitdagender, maar uiteindelijk toch weer gewoon, als altijd. Zij liep dichtbij waar hij vroeger liep.

BG 105 – Kitty van Hamburg

Vorige week had hij nog met haar gebeld. Ze had opgewekt geklonken.
‘Nee, nee, nee, niet doen!’ had ze lachend geroepen.
‘Wat zegt u, tante?’
‘Ik had het tegen Kitty van Hamburg.’
‘Tegen wie?’
‘Mijn póés!,’ schaterde ze, ‘ik had het tegen mijn poes!’
‘Ah oké.’ Die verwende rotkat van haar…
‘Ze is er weer met mijn kraal vandoor, hahaa!’
Een beetje vreemd was ze altijd al geweest, zijn oudtante.

En nu was ze dus kwijt.
Vanmorgen was ze niet op haar gebruikelijke tijd een kopje koffie bij haar buren, het echtpaar Neus, komen drinken. Ze nam de telefoon niet op, de krant zat nog in de brievenbus, de achterdeur nog op slot en ze reageerde ook al niet op de deurbel.
Ach gutteguttegut.
Of hij niet even langs kon komen met de reservesleutel? …

Read More »BG 105 – Kitty van Hamburg

BG 100 – Ik leefde honderd levens

Hoewel ik weinig buiten kom, leefde ik dit jaar al meer dan honderd levens.

Hoe dat mogelijk is?
Ik las meer dan honderd boeken en in elk van die verhalen leefde ik mee met de hoofdpersonages.

Zo bezocht ik bijna heel de wereld samen met onvermoeibare reizigers, herbeleefde ik prille liefde samen met tieners, doorstond ik tegenslagen samen met mensen van allerlei leeftijden en achtergronden, sloeg ik belagers van me af samen met mensen die het niet meer pikten, vocht ik tegen onrecht samen met mensen die zich niet langer lieten onderdrukken, ontwikkelde mijn persoonlijkheid zich samen met die van mensen die zich door obstakels in hun leven heen worstelden, groeide mijn mededogen samen met dat van mensen die veel meemaakten maar leerden vergeven, voelde ik bruisende nieuwe energie samen met mensen die hun passies nastreefden, maar ook de ultieme leegheid samen met mensen die iedere nieuwe dag met tegenzin begonnen, bereidde ik me voor op de dood samen met mensen aan het einde van hun leven, rouwde ik samen met de achterblijvers, vond ik oplossingen voor gecompliceerde problemen samen met echte doorzetters en hun vrienden, programmeerde en hackte ik mij uitwegen uit penibele situaties samen met computernerds, won ik wedstrijden samen met kampioenen, en verloor ik ze samen met mensen die de top niet haalden, bleef ik amper overeind samen met mensen die het zwaar hadden, pleegde ik moorden samen met geharde criminelen, spoorde ik criminelen op samen met gedesillusioneerde rechercheurs, loste ik de klimaatproblemen op samen met knappe koppen, trok ik door de laatste stukken ongerepte natuur samen met natuurliefhebbers, en ervoer ik hoeveel moeite het kost om iets origineels – dat aangenaam verrast, of aanzet tot nadenken – te scheppen samen met andere kunstenaars en schrijvers.

Tegen de tijd dat ik sterf zal ik niet één maar duizend levens hebben geleefd!