BG 273 – Zomertijd
Afgelopen weekend, in de nacht van zaterdag op zondag, is de zomertijd weer ingegaan.
Wij besloten om ‘op de normale tijd’ te gaan slapen en op te staan, en pas op zondagochtend de klokken een uur vooruit te zetten.
Zo werd die ochtend dus een uur korter dan normaal, wat ik altijd nog beter vond dan een kortere nacht.
Het is niet zo dat mijn biologische klok zomaar magisch een uur kan verliezen of winnen en ook de duur van de werking van mijn medicijnen verandert niet zomaar.
Ons lichaam wil liever gewoon doorgaan in het ritme dat het gewend is.
Wat mij betreft mag de zomertijd dan ook zo snel mogelijk afgeschaft worden.
Maar hij is natuurlijk, zoals veel menselijke uitvindingen, bedacht voor de opvoering van de productiviteit en dus voor het genereren van meer geld.
De EU wil de zomertijd graag houden en het zou onhandig zijn als naburige landen in verschillende tijdzones leefden, dus kunnen EU-landen hem niet op eigen houtje afschaffen.
Heel dat concept van ‘een extra uur zonlicht’ is natuurlijk onzin.
De uren zonlicht blijven gelijk, we schuiven alleen maar met de kloktijd.
En daar zijn wij mensen eigenlijk helemaal niet op gebouwd.
Natuurlijk is ‘de kloktijd’ ook maar een verzonnen tijd, maar dan wel die waaraan ons lichaam en onze hersenen gewend zijn.
Kloktijd is een manier om vat te krijgen op de voortschrijdende tijd en om die in handige stukjes te kunnen verdelen.
In het verleden, met de opkomst van de industrialisatie, was het de manier om ervoor te zorgen dat iedereen op tijd bij de fabriek kon zijn, om tegelijk te beginnen met werken.
En, ook prettig, een manier om te zien wanneer men mocht stoppen met werken en weer naar huis mocht gaan.
Maar goed, het is weer zomertijd dus, zodat we even een paar dagen, hooguit weken, het gevoel hebben dat het ’s avonds iets langer licht blijft.
En daarvoor betalen we dan de prijs dat het ’s ochtends iets langer donker blijft.
Zoals ik al zei: van mij hoeft het niet.