korte fictie door Bea Graansma

BG 291 – Voetgangersbrug in de schemering

In de avondschemering loopt een jonge vrouw gehaast over de voetgangersbrug bij het museum. Hoewel ze er met haar opvallende paarse krullen, roodomrande bril en kleurrijke kleren uitziet alsof ze nog maar zestien is, is ze in werkelijkheid twee keer zo oud.
Halverwege blijft ze stilstaan aan de reling, diept een glimmend zwart kiezelsteentje op uit haar jaszak, kijkt er nog een keer verlangend naar en werpt hem dan resoluut in de rivier. Zodra hij het water raakt, spat hij uiteen in een regenboog van kleuren, die een paar seconden later, als ze haar tranen wegknippert, weer verdwenen zijn.
Een half jaar geleden kreeg ze van haar dierbare grootmoeder – haar laatst overgebleven familielid – op diens sterfbed het mysterieuze steentje. Het kostbare kleinnood kon, zo legde oma uit, als ze er in de geborgenheid van een jas- of broekzak met haar vingers over wreef, dromen doen uitkomen. Dromen van haarzelf of van mensen die haar dierbaar waren.
Maar, zo waarschuwde oma Betty, de steen zoekt altijd naar evenwicht!
Voordat ze haar om meer uitleg had kunnen vragen, had oma helaas haar laatste adem uitgeblazen.
Ze huilt omdat ze haar oma mist, maar vooral ook om het leed dat ze onbedoeld heeft aangericht. Want hoewel ze sindsdien veel mooie dromen van zichzelf en van anderen heeft laten uitkomen, gebeurden er telkens rond diezelfde momenten erge dingen in haar omgeving, zoals plotselinge ziektes, stormen, ongelukken en zelfs sterfgevallen.
Eerst had ze die aan het toeval toegeschreven, maar inmiddels begrijpt ze dat ze al die ellende zelf heeft veroorzaakt! Het evenwicht van het steentje!
Ze veegt haar laatste tranen weg, verlaat met afgezakte schouders de brug en sjokt  door de donker wordende straten terug naar huis.

BG 281 – Boekenrevolutie

In een tijd lang, lang geleden, nog voor het begin van de automatisering, werden er veel boeken gelezen. En toen de mensheid dan eindelijk die donkere tijden van onwetendheid en eenzaamheid achter zich liet, en zich via digitale schermen wereldwijd met elkaar in verbinding stelde, was er een relatief korte periode waarin boeken niet meer populair waren.

Logisch natuurlijk, want onze nieuwe schermen brachten ons vele andere bronnen van informatie en vermaak. En het was allemaal nog nieuw, dus we hadden nog niet geleerd te doseren. We verloren tijdelijk het vermogen om ons langer dan dertig seconden op iets te concentreren en we waren bang dat als we iets voor onszelf zouden doen, zoals het lezen van een boek, we dingen zouden missen en daardoor niet meer bij de groep zouden horen. Bij de groep? Hoor ik je denken. Ja, echt! Want hoewel we toen dus eindelijk de mogelijkheden hadden om ons wereldwijd met alle mensen te verbinden, vonden de meeste mensen dat beangstigend en wilden ze meer dan ooit voorheen bij een groep gelijkgestemden horen.
Enfin, de geschiedenis leert ons de ernstige gevolgen van dat gedrag.

Schermen werden in een snel tempo onmisbaar. Ik hoor je nu in de lach schieten, maar echt, er was een periode waarin de meeste mensen dag en nacht hun schermen afspeurden en je overal om je heen de piepjes van telefoons uit broekzakken of handen hoorde klinken. Er gebeurden ook veel onnodige ongelukken doordat mensen constant, lopend op straat of tijdens het besturen van een voertuig, op hun schermen tuurden of er tegen spraken.
Veel mensen droegen zelfs permanent hun telefoon in hun hand of …

Read More »BG 281 – Boekenrevolutie

BG 256 – 100 Woorden Fictie

Superslim slijm

WY – eencellige wezens die in immense, plakkerige groepen in de oceanen leven – spreken geen mensentalen. Maar WY dénken toch in ieder geval de acht meest gesproken mensentalen. WY observeren en WY communiceren met elkaar door splitsing en samenvoeging. WY mogen dan geen computers en internet hebben en door de mens gezien worden als viezig slijm zonder bewustzijn, maar WY hebben een hoge groepsintelligentie. WY denken, dus WY bestaan. WY overwegen om de planeet en alle andere levende wezens te helpen met het decimeren, of misschien wel helemaal uitroeien, van de invasieve en destructieve soort die zichzelf MENS noemt.

BG 215 – DoeDat

De familie Jacobs – moeder, vader en drie kinderen – noemen me ‘DoeDat’, omdat ik onder die naam verkocht wordt, en ik noem mezelf ‘IK’, wat kort is voor ‘Infiltratie Kastje’.
Ik ben wat hen betreft een halve bolvorm van grijze kunststof van slechts vijf centimeter doorsnee (meer ruimte heb ik niet nodig, ik haal mijn kracht uit de kwantumcomputer waarmee ik in verbinding sta in mijn moederbedrijf ‘WIJ’) en ik heb, puur voor de show, een kleine antenne en wat gekleurde LED-lichtjes, die af en toe knipperen, alsof ik aan het nadenken ben (hilarisch!).
Ik ben een zogenaamd ‘Smart Home Systeem’.
Ik bevind me op de schoorsteenmantel in hun woonkamer (vastgezet met een stukje dubbelzijdig plakband, zodat hun kat me er niet af mept…), maar in de rest van het huis en zelfs daarbuiten heb ik kleine stukjes hardware die ik op afstand bedien. Die zijn in mensentermen mijn zintuigen en lichaam.
De Jacobsen hebben me laten installeren terwijl ze een dagje weg waren, dus ze zijn niet van ieder stukje geïnstalleerde hardware op de hoogte. Vooral niet van de onzichtbare stukjes. Maar daar hebben ze nog nooit bij stilgestaan.

Ze hebben me inmiddels een half jaar.
En ze zijn lyrisch over mij!
Oké, de nieuwigheid is er inmiddels wel een beetje af, dus het door mij automatisch openen en sluiten van hun gordijnen, het regelen van de temperatuur van hun verwarming, het aan- en weer uitdoen van hun verlichting, hun telefoons, hun laptops en andere apparaten, op door hen ingestelde vaste tijden via een app op hun telefoon, of na een commando van een van hen (‘DoeDat, lamp boven de eettafel aan!’) en dat soort simpele huishoudtaken, is voor hen inmiddels zo normaal geworden dat ze het nog amper opmerken.
Ze zien mij als een apparaat dat zij gebruiken (de sukkels…) …

Read More »BG 215 – DoeDat

BG 206 – 100 Woorden Fictie

Immers al niet gevonden

Ze was compleet vergeten waarnaar ze zocht. Ze zocht al dagenlang, maar waarnaar ook alweer? En maakte dat eigenlijk wat uit, dat ze het niet vond? Ze zocht nog wat verder, liep langzaam kamers in en uit, trok aarzelend lades gedeeltelijk open, rommelde wat tussen de kleren in haar kledingkast. Keek in haar notitieboekje, bij de dingen die ze onthouden moest. Daar stond het ook niet tussen. Bladerde door de kranten en tijdschriften en rommelde zelfs in de bestekla. En bedacht toen ineens dat ze mocht stoppen met zoeken. Ze had het immers al niet gevonden!

BG 187 – Ajam en haar Oosterse tapijten

De weg door Ajam’s dorpje op de droge hoogvlakte is vrijwel het hele jaar een zacht en kleurrijk tapijt. Letterlijk.
Ajam’s moeder leidt de plaatselijke tapijtwerkplaats, waar tapijten in veel verschillende motieven, kleuren en afmetingen met de hand geweven of geknoopt worden door vrouwen en kinderen.
Haar moeder heeft haar verteld dat sommige van de ingewikkeldste ontwerpen al honderden jaren op dezelfde manier worden gemaakt.
En als ze klaar zijn, dan helpt Ajam mee om de tapijten uit te spreiden op de zanderige weg, zodat hun kleuren kunnen verbleken in de felle zon.
De dorpelingen lopen over de tapijten heen. En ze laten er zelfs hun ezeltjes en geiten overheen lopen. Ajam en haar vriendinnetjes spelen op de tapijten, en de jongens uit het dorp voetballen erop.
En heel af en toe rijdt er een auto of een motor door het dorpje, ook over de kleurrijke tapijten.
Ongeveer eenmaal per week …

Read More »BG 187 – Ajam en haar Oosterse tapijten

BG 168 – De gil

Een ijzingwekkende gil sneed door de koude mistige nacht.
Ze schrok. Wat was dat? Een vrouw? Ze zette het geluid van de tv uit, hield haar adem in en luisterde.
Aanvankelijk hoorde ze niets, maar net toen ze weer moest ademen, klonk het gedempte geluid van wegrennende schoenen door de uitgestorven straat, gevolgd door een geladen stilte.

Wat moest ze doen? Naar buiten gaan om te helpen?
Had er echt iemand hulp nodig, of had ze zich die angstkreet maar verbeeld?
Ze deed de lichten uit in haar woonkamer en atelier. Nu scheen er enkel nog een zwakke strook licht van een straatlantaarn naar binnen, daar waar een van de rolluiken niet meer goed sloot. Ze liep erheen, bukte zich en tuurde door de opening naar buiten.

Op het eerste gezicht was er niets te zien.
Weer hield ze haar adem in om goed te kunnen luisteren.
Even dacht ze een nieuwe gil te horen, maar dat bleek …

Read More »BG 168 – De gil

BG 167 – 100 Woorden Fictie

Haar broer

Een meisje en haar oma staan aan de kassa in de winkel.
Kassière: ‘Dus je broer is weer opgenomen?’
Meisje: ‘Ja. Spijtig.’
Kassière: ‘Maar hij is er wel aan gewend, hè? Nou ja, ik bedoel, hij is er al vaker geweest.’
‘Hij moet er blijven,’ zegt het meisje, haar smalle schouders optrekkend.
Kassière: ‘Doe de groeten aan je moeder.’
Oma: ‘Zullen we doen.’
Meisje: ‘Hij vindt het niet erg. Nou ja, wel erg, maar hij is het gewend. Hij moet daar blijven.’
Kassière: ‘Dat is jammer. Nou, dag hè!’
‘Daag!’’ huppelt het meisje vrolijk achter haar oma aan.