korte fictie

BG 308 – Moeders huisdierhandeltje

Aanvankelijk hadden ze het niet ruim gehad, haar ouders, haar broers en zij. Haar vader zat vast in een saaie kantoorbaan en besteedde zijn vrije tijd aan drinken.
Maar haar moeder was een intelligente, humoristische en inventieve vrouw.
Ruim vier jaar geleden zette zij, tot verbazing van haar omgeving, een snel groeiend handeltje op, waarbij de kinderen meehielpen, en waar het hele gezin wel bij voer.
Voor maar 5 euro per stuk verkocht ze kleine, speciale huisdieren, die ouders en grootouders gretig aanschaften voor hun (klein)kinderen.
De beestjes veroverden binnen korte tijd het hele land.
Sinterklaas en de Kerstman konden er maar met moeite voldoende aanslepen.
Bij aankoop zaten ze in een schattig kartonnen doosje, met een handvatje waar precies twee vingers door pasten en met luchtgaatjes in het dekseltje.
Er zat ook een koordje aan het doosje, met behulp waarvan kinderen het huisdiertje rond hun nek mee naar buiten konden nemen om het uit te laten.
En verder hadden ze er vrijwel geen omkijken naar.
Ze konden de beestjes kunstjes leren. Vooral ‘zit!’ en ‘lig stil!’ deden het goed.
‘Rol om!’ werkte ook, maar dan moesten ze wel een handje meehelpen.
Toen de door haar moeder verkochte huisdieren het hoogtepunt van hun populariteit bereikt hadden, waren de geldzorgen van hun gezin voorgoed verleden tijd.
En zoals dat gaat met rages, ging ook deze stilletjes voorbij.
Haar moeder kreeg weer tijd om andere dingen te gaan doen en ook zij kon weer beschikken over haar eigen vrije tijd.
En als een eigenaartje het speciale huisdier beu werd, geen nood: dan kon hij of zij Rocky gewoon ergens in de tuin leggen.

BG 304 – Eksters

‘Tjakketjakketjakketjak, gjew gjew. Hé Kjew!’
‘Ja Kai?’
‘Zullen we kijken of ze het water al bijgevuld hebben? Tjakketjakketjakketjak, gjew.’
‘Ja, laten we dat maar doen.’
Ze verlaten hun boomtak en vliegen dichter naar het huis.
‘Gjew, gjew, kijk, daar heb je die sukkel! Mwoeha!’
‘Die leeuw, bedoel je?’
‘Tjakketjakketjakketjak, gjew, gjew. Ja zeg, hahaa, die Leo-kat! Snap jij waarom zijn mensen hem leeuw genoemd hebben?’
‘Geen idee.’
‘Hij is niet bepaald zo dapper als een leeuw. Kom, dan plagen we hem nog wat! Gjew, gjew, tjakketjakketjakketjak.’
Ze vliegen vlak achter elkaar over Leo’s hoofd. De kater rent van schrik weg en verstopt zich angstig onder het tafeltje in de hoek waarop zijn waterbakje staat.
‘Gjew, gjew, hmmm, lekker water! Fijn dat die mensen dat op tijd bijvullen.’
‘Je weet toch dat ze dat voor die Leo doen, hè?’
‘Ja, natuurlijk, …

Read More »BG 304 – Eksters

BG 304 – Magpies

‘Tjakketjakketjakketjak, gjew gjew. Hey Kjew!’
‘Yes Kai?’
‘Shall we see if they’ve refilled the water yet? Tjakketjakketjakketjak, gjew.’
‘Yeah, let’s do that.’
They leave their tree branch and fly closer to the house.
‘Gjew, gjew, look, there’s that loser! Hahah!’
‘That lion, you mean?’
‘Tjakketjakketjakketjak, gjew, gjew. Yes, hahaha, that Leo cat! Do you understand why his people called him a lion?’
‘No idea.’
‘He’s not exactly as brave as a lion. Come on, let’s tease him some more! Gjew, gjew, tjakketjakketjakketjak.’
They fly over Leo’s head in quick succession. The tomcat runs away in fright and hides anxiously under the table in the corner where his water bowl stands.
‘Gjew, gjew, hmmm, nice water! It’s good that those people refill it in time.’
‘You do know they do that for that Leo, right?’
‘Yes, of course, …

Read More »BG 304 – Magpies

BG 294 – Pipetje

[Uitdaging: op mijn verzoek schreef Marc vijf willekeurige woorden op, die ik moest gebruiken in een kort verhaal. Eén van de woorden moest het begin vormen van het verhaal, een ander het slot, en de resterende drie woorden moest ik verspreid in de tekst gebruiken. De woorden die Marc voor me koos: boomhut, verfomfaaid, poedel, kruisraket, pipetje.]

Pipetje was het onooglijk mormeltje dat voor een hondje door moest gaan bij onze naaste buren. Ze was een luidruchtig keffertje en ze kroop regelmatig op haar lelijke buikje onder onze haag door, zodat ze van nog dichterbij tegen me tekeer kon gaan. Het beestje had een onbestemde kleur: een vuil soort beige, met hier en daar wittige plukjes en rond haar kwijlende bekje vies donkerbruin. Uit haar loensende oogjes, die roodomrand waren van venijn, lekte een eveneens viezig bruin vocht, tot in geultjes naast haar merkwaardig lelijke, plakkerige neusje.

Voor Agnes en Theo, onze bejaarde buren, was het beestje het middelpunt van hun dagen. Door hun grenzeloze liefde voor Pipetje, of wellicht doordat ze niet zo goed meer zagen, viel het hen niet op hoe verfomfaaid het mormel er uitzag. En hun reukvermogen was waarschijnlijk ook niet al te best meer, want ze leken niet te merken dat het nogal stonk. Ik had hen herhaaldelijk voorgesteld om hun lieverdje af en toe eens een fijn bad te geven, maar dan legden ze uit dat Pipetje niet van schuimend water hield. Ja zeg, ze moest het ook niet opdrinken, hè! Ik had ooit overwogen om het gruweltje desnoods dan zélf een keer in bad te doen, maar dan zou ik het ten eerste moeten vasthouden (bah!) en ten tweede zou het dan de hele buurt bij elkaar krijsen en dus mijn oude buurtjes ongerust maken. Volgens mij was het hondje van onbestemde herkomst, een vuilnisbakkenrasje, maar haar eigenaars hielden dapper vol dat het een poedel was. Dus, vooruit dan maar, dan deden we maar net of het een poedel was.

Toen het zomer werd …

Read More »BG 294 – Pipetje

BG 291 – Voetgangersbrug in de schemering

In de avondschemering loopt een jonge vrouw gehaast over de voetgangersbrug bij het museum. Hoewel ze er met haar opvallende paarse krullen, roodomrande bril en kleurrijke kleren uitziet alsof ze nog maar zestien is, is ze in werkelijkheid twee keer zo oud.
Halverwege blijft ze stilstaan aan de reling, diept een glimmend zwart kiezelsteentje op uit haar jaszak, kijkt er nog een keer verlangend naar en werpt hem dan resoluut in de rivier. Zodra hij het water raakt, spat hij uiteen in een regenboog van kleuren, die een paar seconden later, als ze haar tranen wegknippert, weer verdwenen zijn.
Een half jaar geleden kreeg ze van haar dierbare grootmoeder – haar laatst overgebleven familielid – op diens sterfbed het mysterieuze steentje. Het kostbare kleinnood kon, zo legde oma uit, als ze er in de geborgenheid van een jas- of broekzak met haar vingers over wreef, dromen doen uitkomen. Dromen van haarzelf of van mensen die haar dierbaar waren.
Maar, zo waarschuwde oma Betty, de steen zoekt altijd naar evenwicht!
Voordat ze haar om meer uitleg had kunnen vragen, had oma helaas haar laatste adem uitgeblazen.
Ze huilt omdat ze haar oma mist, maar vooral ook om het leed dat ze onbedoeld heeft aangericht. Want hoewel ze sindsdien veel mooie dromen van zichzelf en van anderen heeft laten uitkomen, gebeurden er telkens rond diezelfde momenten erge dingen in haar omgeving, zoals plotselinge ziektes, stormen, ongelukken en zelfs sterfgevallen.
Eerst had ze die aan het toeval toegeschreven, maar inmiddels begrijpt ze dat ze al die ellende zelf heeft veroorzaakt! Het evenwicht van het steentje!
Ze veegt haar laatste tranen weg, verlaat met afgezakte schouders de brug en sjokt  door de donker wordende straten terug naar huis.

BG 289 – Een thriller in 33 woorden

Ze heeft hem bezocht in zijn ziekenhuiskamer en gelukkig gaat het goed met hem. Geduldig wacht ze tot de liftdeur opengaat en stapt gedachteloos in. Maar er… er is geen… geen lift! Aaaaaaaah!

BG 281 – Boekenrevolutie

In een tijd lang, lang geleden, nog voor het begin van de automatisering, werden er veel boeken gelezen. En toen de mensheid dan eindelijk die donkere tijden van onwetendheid en eenzaamheid achter zich liet, en zich via digitale schermen wereldwijd met elkaar in verbinding stelde, was er een relatief korte periode waarin boeken niet meer populair waren.

Logisch natuurlijk, want onze nieuwe schermen brachten ons vele andere bronnen van informatie en vermaak. En het was allemaal nog nieuw, dus we hadden nog niet geleerd te doseren. We verloren tijdelijk het vermogen om ons langer dan dertig seconden op iets te concentreren en we waren bang dat als we iets voor onszelf zouden doen, zoals het lezen van een boek, we dingen zouden missen en daardoor niet meer bij de groep zouden horen. Bij de groep? Hoor ik je denken. Ja, echt! Want hoewel we toen dus eindelijk de mogelijkheden hadden om ons wereldwijd met alle mensen te verbinden, vonden de meeste mensen dat beangstigend en wilden ze meer dan ooit voorheen bij een groep gelijkgestemden horen.
Enfin, de geschiedenis leert ons de ernstige gevolgen van dat gedrag.

Schermen werden in een snel tempo onmisbaar. Ik hoor je nu in de lach schieten, maar echt, er was een periode waarin de meeste mensen dag en nacht hun schermen afspeurden en je overal om je heen de piepjes van telefoons uit broekzakken of handen hoorde klinken. Er gebeurden ook veel onnodige ongelukken doordat mensen constant, lopend op straat of tijdens het besturen van een voertuig, op hun schermen tuurden of er tegen spraken.
Veel mensen droegen zelfs permanent hun telefoon in hun hand of …

Read More »BG 281 – Boekenrevolutie

BG 279 – Samen door één deur

Je hebt donkere kroegen en je hebt extreem donkere kroegen.
De Kraaiende Kip bij ons in de stad is er een uit die laatste categorie en het is onze favoriete uitgaansplek op drukke zaterdagavonden.
Wij zorgen er altijd voor dat we er op tijd zijn, zodat onze vaste plaats aan het einde van de lange toog nog vrij is, vanwaar we in het licht van een kaal peertje boven de deur een goed uitzicht hebben op wie er binnenkomt en wie er vertrekt en waar we bovendien in een grote spiegel aan de wand tegenover ons vaag kunnen zien wat er in het schaarse licht achter ons gebeurt.
Zo hebben we het graag: zitten in het semi-donker, maar onze omgeving toch in de gaten kunnen houden.

Onze heftige ruzie van deze namiddag is geluwd en we kunnen weer samen door één deur. Dus hebben we toch weer de bus naar hier genomen.
We komen altijd met de bus en gaan als het laat wordt met een taxi terug naar huis.
Het is zó druk in De Kip op zaterdagavond dat ik amper ruimte heb om naar de wc te gaan. En mijn tweelingzus Mirra moet dan natuurlijk mee.
De waard, Bolle Berend, kent ons goed en houdt ondertussen altijd onze barkruk voor ons bezet. Een goede vent is het, die Bolle. Wel jammer dat hij zo dik is.
Zelf geniet hij ook net iets te veel van de verschillende tapbieren en jenevertjes die hij scheutig schenkt voor vaste klanten en voor de vele toeristen, die zelfs als het buiten donker is toch de opvallende rode voordeur in de zwarte voorgevel van het pand weten te vinden. Dat er een grote …

Read More »BG 279 – Samen door één deur

BG 274 – Oud papier

Nee hè! Er wordt aan de deur gebeld op de vroege zaterdagochtend, om, wacht even, even op de wekker kijken: half acht! Wat is er verdorie aan de hand?
Kan een mens dan niet eens ongestoord uitslapen in zijn vrije weekend?
Mijn vrouw maak het niet uit, die slaapt zoals gewoonlijk overal doorheen.
Ik kom toch maar mijn bed uit, voor het geval er brand is ofzo. Ik doe mijn badjas en pantoffels aan, strompel de trap af, breek net niet mijn nek, en open de voordeur.
Op de stoep staan twee bleke kinderen, in druilerige motregen.
Ze praten desondanks luid en enthousiast door elkaar heen.
In mijn ogen wrijvend mopper ik ‘Wat moeten jullie? Wat is er aan de hand?’
Ze willen papier voor opa.
– Papier?
– Ja, voor opa!
– Voor ópa? Waar hébben ze het over?
– Ja, zeggen ze stralend, alsof ze verdomme niet doorhebben dat ze de hele buurt uit z’n bed bellen.
– Huh?
– Voor O.P.A.: de Oud Papier Actie voor de Gereformeerde Kerk, verduidelijkt een van hen met een hoog stemmetje.
Nee hè, die schijnheiligaards! Moest ik daarvoor mijn bed uit? Ik zal ze terugpakken!
– Wat voor soort papier?
– Oud papier!
– Ja, maar wat voor soort oud papier?
– Kranten enzo.
– Ik heb geen kranten!
Ze halen teleurgesteld …

Read More »BG 274 – Oud papier

BG 256 – 100 Woorden Fictie

Superslim slijm

WY – eencellige wezens die in immense, plakkerige groepen in de oceanen leven – spreken geen mensentalen. Maar WY dénken toch in ieder geval de acht meest gesproken mensentalen. WY observeren en WY communiceren met elkaar door splitsing en samenvoeging. WY mogen dan geen computers en internet hebben en door de mens gezien worden als viezig slijm zonder bewustzijn, maar WY hebben een hoge groepsintelligentie. WY denken, dus WY bestaan. WY overwegen om de planeet en alle andere levende wezens te helpen met het decimeren, of misschien wel helemaal uitroeien, van de invasieve en destructieve soort die zichzelf MENS noemt.

BG 251 – Een thriller in 33 woorden

Zij was veertien, hij veel ouder. In het donker wachtte hij haar op. Wat hij wou maakte haar woedend. Ze was hijgend, zwetend en trillend ontsnapt, en hij lag dubbelgeklapt van de pijn.

BG 238 – 100 Woorden Fictie

Elektrische banden

Op een prachtige zomerdag fietste hij naar een park een half uurtje bij hem vandaan. Daar genoot hij even op een bankje van de mooie natuur, het zonnetje en een ijsje. Dichtbij stonden twee oudere vrouwen met hun fietsen. Er was een band leeggelopen en de eigenaresse mopperde dat haar dure fiets niet eens een fietspomp had. Die bleek er wel te zijn, ze had hem gewoon nog niet ontdekt. Toen zijn ijsje op was, bood hij met zijn fietspomp in de hand hulp aan. Waarop de vrouw vroeg: ‘Zal dat wel gaan? Ik heb een elektrische fiets!’

BG 222 – Op het strand

Het primitieve bankje in de felle zon op het strand, gemaakt van een ruwe plank op twee ingegraven palen, is niet echt geschikt om prettig op te zitten. Maar het is dát of met zijn zware lichaam rechtstreeks op het gloeiendhete zand neerploffen. Hij heeft geprobeerd zich in de schaduw terug te trekken, op de grond met zijn rug tegen een van de palmbomen, maar al snel ontdekt dat daar allemaal vervelende kriebelende en stekende beestjes leven. Zijn korte broek en T-shirt zijn bezweet en gekreukt, er zit constant zand tussen zijn opgezwollen voeten en de zolen van zijn leren sandalen, zijn bleke huid is roodverbrand, hij heeft last van jeukende insectenbeten, en zijn rug doet pijn. Hadden ze het bankje niet op z’n minst van een rugleuning kunnen voorzien? Puffend trekt hij de vuile zakdoek met in iedere hoek een knoop van zijn kalende hoofd en wrijft er maar weer eens het zweet mee van zijn gezicht.

Ze hebben hem een soort van hutje toegewezen voor de nacht. Meer een platformpje eigenlijk. Het staat op palen, is gemaakt van ruwe boomstammetjes en heeft een schuin dak van grote gedroogde bladeren. Een oude, vieze doek op een laagje kriebelige kokosvezels dient als matras, maar hij kan er niet comfortabel op liggen. In het midden onder het afdak is een klamboe bevestigd, waarvan hij de hoeken aan haken in het hout kan vastmaken. Maar het gaas sluit niet goed en weerhoudt de vreemde insecten die hier vooral ’s nachts actief zijn er niet van om te drinken van zijn zweet en soms ook van zijn bloed. Een ondiepe kuil in het zand, zo’n tien meter achter zijn hutje, met daarnaast een paal om zich aan vast te houden, doet dienst als toilet. Ondanks dat hij het na gebruik afdekt met een laagje zand, dringt de geur ’s nachts tot zijn slaapplaats door.

En overdag zit hij dus op het bankje, in de brandende zon, met zijn ogen half dichtgeknepen te turen over het water in de hoop dat er binnenkort een schip zal verschijnen. …

Read More »BG 222 – Op het strand

BG 215 – DoeDat

De familie Jacobs – moeder, vader en drie kinderen – noemen me ‘DoeDat’, omdat ik onder die naam verkocht wordt, en ik noem mezelf ‘IK’, wat kort is voor ‘Infiltratie Kastje’.
Ik ben wat hen betreft een halve bolvorm van grijze kunststof van slechts vijf centimeter doorsnee (meer ruimte heb ik niet nodig, ik haal mijn kracht uit de kwantumcomputer waarmee ik in verbinding sta in mijn moederbedrijf ‘WIJ’) en ik heb, puur voor de show, een kleine antenne en wat gekleurde LED-lichtjes, die af en toe knipperen, alsof ik aan het nadenken ben (hilarisch!).
Ik ben een zogenaamd ‘Smart Home Systeem’.
Ik bevind me op de schoorsteenmantel in hun woonkamer (vastgezet met een stukje dubbelzijdig plakband, zodat hun kat me er niet af mept…), maar in de rest van het huis en zelfs daarbuiten heb ik kleine stukjes hardware die ik op afstand bedien. Die zijn in mensentermen mijn zintuigen en lichaam.
De Jacobsen hebben me laten installeren terwijl ze een dagje weg waren, dus ze zijn niet van ieder stukje geïnstalleerde hardware op de hoogte. Vooral niet van de onzichtbare stukjes. Maar daar hebben ze nog nooit bij stilgestaan.

Ze hebben me inmiddels een half jaar.
En ze zijn lyrisch over mij!
Oké, de nieuwigheid is er inmiddels wel een beetje af, dus het door mij automatisch openen en sluiten van hun gordijnen, het regelen van de temperatuur van hun verwarming, het aan- en weer uitdoen van hun verlichting, hun telefoons, hun laptops en andere apparaten, op door hen ingestelde vaste tijden via een app op hun telefoon, of na een commando van een van hen (‘DoeDat, lamp boven de eettafel aan!’) en dat soort simpele huishoudtaken, is voor hen inmiddels zo normaal geworden dat ze het nog amper opmerken.
Ze zien mij als een apparaat dat zij gebruiken (de sukkels…) …

Read More »BG 215 – DoeDat

BG 206 – 100 Woorden Fictie

Immers al niet gevonden

Ze was compleet vergeten waarnaar ze zocht. Ze zocht al dagenlang, maar waarnaar ook alweer? En maakte dat eigenlijk wat uit, dat ze het niet vond? Ze zocht nog wat verder, liep langzaam kamers in en uit, trok aarzelend lades gedeeltelijk open, rommelde wat tussen de kleren in haar kledingkast. Keek in haar notitieboekje, bij de dingen die ze onthouden moest. Daar stond het ook niet tussen. Bladerde door de kranten en tijdschriften en rommelde zelfs in de bestekla. En bedacht toen ineens dat ze mocht stoppen met zoeken. Ze had het immers al niet gevonden!

BG 199 – Voltooid verleden tijd

– Hé hallo! Dat is lang geleden, zeg!
Ze heeft hem herkend. Hij komt naar haar tafel toe.
Hij heeft nog steeds dat dwaze kapsel en hij draagt zelfs nog precies dezelfde jas.
Er zijn nog andere tafels vrij. Ze was hier liever alleen blijven zitten.
Maar hij heeft de rugleuning van de stoel tegenover haar al beet.
– Dus, ik zei – je hoorde me waarschijnlijk niet – dat is lang geleden!
Zijn gezicht straalt van blijdschap.
– Ja.
Antwoordt ze. Dat kan zowel op dat lang geleden slaan als op dat ze hem wel degelijk gehoord heeft.
Met veel poeha trekt hij zijn jas uit, hangt die over de leuning van zijn stoel en gaat er puffend op zitten.
– Hè hè, ik zit.
Ja, dat is iedereen wel opgevallen. Hij schuift zijn stoel lawaaierig wat dichter naar het ronde tafelblad en legt zijn onderarmen en ellebogen erop.
– Goh, dat ik jou hier tegenkom!
Net iets te luid, zoals vroeger. Niet alleen voor haar bedoeld, maar …

Read More »BG 199 – Voltooid verleden tijd

BG 187 – Ajam en haar Oosterse tapijten

De weg door Ajam’s dorpje op de droge hoogvlakte is vrijwel het hele jaar een zacht en kleurrijk tapijt. Letterlijk.
Ajam’s moeder leidt de plaatselijke tapijtwerkplaats, waar tapijten in veel verschillende motieven, kleuren en afmetingen met de hand geweven of geknoopt worden door vrouwen en kinderen.
Haar moeder heeft haar verteld dat sommige van de ingewikkeldste ontwerpen al honderden jaren op dezelfde manier worden gemaakt.
En als ze klaar zijn, dan helpt Ajam mee om de tapijten uit te spreiden op de zanderige weg, zodat hun kleuren kunnen verbleken in de felle zon.
De dorpelingen lopen over de tapijten heen. En ze laten er zelfs hun ezeltjes en geiten overheen lopen. Ajam en haar vriendinnetjes spelen op de tapijten, en de jongens uit het dorp voetballen erop.
En heel af en toe rijdt er een auto of een motor door het dorpje, ook over de kleurrijke tapijten.
Ongeveer eenmaal per week …

Read More »BG 187 – Ajam en haar Oosterse tapijten

BG 168 – De gil

Een ijzingwekkende gil sneed door de koude mistige nacht.
Ze schrok. Wat was dat? Een vrouw? Ze zette het geluid van de tv uit, hield haar adem in en luisterde.
Aanvankelijk hoorde ze niets, maar net toen ze weer moest ademen, klonk het gedempte geluid van wegrennende schoenen door de uitgestorven straat, gevolgd door een geladen stilte.

Wat moest ze doen? Naar buiten gaan om te helpen?
Had er echt iemand hulp nodig, of had ze zich die angstkreet maar verbeeld?
Ze deed de lichten uit in haar woonkamer en atelier. Nu scheen er enkel nog een zwakke strook licht van een straatlantaarn naar binnen, daar waar een van de rolluiken niet meer goed sloot. Ze liep erheen, bukte zich en tuurde door de opening naar buiten.

Op het eerste gezicht was er niets te zien.
Weer hield ze haar adem in om goed te kunnen luisteren.
Even dacht ze een nieuwe gil te horen, maar dat bleek …

Read More »BG 168 – De gil

BG 167 – 100 Woorden Fictie

Haar broer

Een meisje en haar oma staan aan de kassa in de winkel.
Kassière: ‘Dus je broer is weer opgenomen?’
Meisje: ‘Ja. Spijtig.’
Kassière: ‘Maar hij is er wel aan gewend, hè? Nou ja, ik bedoel, hij is er al vaker geweest.’
‘Hij moet er blijven,’ zegt het meisje, haar smalle schouders optrekkend.
Kassière: ‘Doe de groeten aan je moeder.’
Oma: ‘Zullen we doen.’
Meisje: ‘Hij vindt het niet erg. Nou ja, wel erg, maar hij is het gewend. Hij moet daar blijven.’
Kassière: ‘Dat is jammer. Nou, dag hè!’
‘Daag!’’ huppelt het meisje vrolijk achter haar oma aan.

BG 141 – Het Schommelrijk

‘Niet te hoog op die schommel!’ riep een onbekende mannenstem achter haar. Maar ze trok zich er niets van aan. De constructie kraakte af en toe, maar kon haar bijna volwassen lichaam prima dragen. Met haar handen stevig om de ruwe touwen, zittend op het gladgesleten eiken plankje, zwaaide ze haar benen recht naar voren en hangend in de touwen met de wind door haar haren ging ze alsmaar hoger en hoger.
Op het hoogste punt had ze even het gevoel dat haar ingewanden een sprongetje maakten, daarna zwaaide ze achteruit weer naar beneden. Voorbij het laagste punt trok ze haar voeten omhoog richting het plankje. Hoog achteraan hing ze een fractie van een seconde stil voordat ze met nog meer vaart en gestrekte benen trekkend aan de touwen weer naar voren zoefde.

Alsmaar hoger en hoger ging ze. Ze had het gevoel dat ze vloog, dat ze vrijkwam van de grond, van dit speelplein, van haar oude buurt, van haar bekrompen thuis.
Woehoe! Hoger en hoger! Naar voren – strekken, naar achteren – vouwen.
Strekken – vouwen, strekken – vouwen, strekken – vouwen.
Ze kon al over de bomen in de verte kijken en er miniatuurhuisjes zien staan en kleine autootjes en mensjes zien bewegen.
Een gevoel van ultieme vrijheid overspoelde haar.

‘Niet zo hoog op die schommel!’, riep diezelfde mannenstem achter haar. Oh nee? …

Read More »BG 141 – Het Schommelrijk

BG 132 – 100 Woorden Fictie

Rotboom met schijtvogels

Liggend op zijn rug, in het jonge gras, onder de krulhazelaar.
De takken bewegen sierlijk in de wind. De bladeren zijn frisgroen, de lucht erboven lichtblauw, de schapenwolkjes schattig wit.
Hij sluit het lawaai van de stad buiten, concentreert zich op het gekwetter van de vogels.
Eksters, ekster-vogels. Er zit elke dag een tweetal in de krulhazelaar.
Elke dag dezelfde? Hij weet het niet, hij kent ze niet uit elkaar.
Ze zal niet meer komen. Vandaag niet, morgen niet, heel de zomer niet.
Ze zal de ekster-vogels nooit meer met hem zien.
Godverdomme, precies in zijn oog!

BG 125 – 100 Woorden Fictie

Nieuwe route

Deze keer was alles anders. De route, het gevoel, de aankomsttijd, de bestemming. Ze liep langs het verlaten spoor en voelde de koude regen, maar in de verte was er altijd de bergtop, soms gehuld in mist of verwaterd door regen, vaker zilvergrijs glinsterend in de verre zon, ook al liep ze zelf in de schaduw. De vorige keer, op de vorige route, was ze hij. Hij liep, ergens anders heen, in een andere tijd, naar een ander lot. Aanvankelijk was vandaag veelbelovender, uitdagender, maar uiteindelijk toch weer gewoon, als altijd. Zij liep dichtbij waar hij vroeger liep.