kruisraket

BG 294 – Pipetje

[Uitdaging: op mijn verzoek schreef Marc vijf willekeurige woorden op, die ik moest gebruiken in een kort verhaal. Eén van de woorden moest het begin vormen van het verhaal, een ander het slot, en de resterende drie woorden moest ik verspreid in de tekst gebruiken. De woorden die Marc voor me koos: boomhut, verfomfaaid, poedel, kruisraket, pipetje.]

Pipetje was het onooglijk mormeltje dat voor een hondje door moest gaan bij onze naaste buren. Ze was een luidruchtig keffertje en ze kroop regelmatig op haar lelijke buikje onder onze haag door, zodat ze van nog dichterbij tegen me tekeer kon gaan. Het beestje had een onbestemde kleur: een vuil soort beige, met hier en daar wittige plukjes en rond haar kwijlende bekje vies donkerbruin. Uit haar loensende oogjes, die roodomrand waren van venijn, lekte een eveneens viezig bruin vocht, tot in geultjes naast haar merkwaardig lelijke, plakkerige neusje.

Voor Agnes en Theo, onze bejaarde buren, was het beestje het middelpunt van hun dagen. Door hun grenzeloze liefde voor Pipetje, of wellicht doordat ze niet zo goed meer zagen, viel het hen niet op hoe verfomfaaid het mormel er uitzag. En hun reukvermogen was waarschijnlijk ook niet al te best meer, want ze leken niet te merken dat het nogal stonk. Ik had hen herhaaldelijk voorgesteld om hun lieverdje af en toe eens een fijn bad te geven, maar dan legden ze uit dat Pipetje niet van schuimend water hield. Ja zeg, ze moest het ook niet opdrinken, hè! Ik had ooit overwogen om het gruweltje desnoods dan zélf een keer in bad te doen, maar dan zou ik het ten eerste moeten vasthouden (bah!) en ten tweede zou het dan de hele buurt bij elkaar krijsen en dus mijn oude buurtjes ongerust maken. Volgens mij was het hondje van onbestemde herkomst, een vuilnisbakkenrasje, maar haar eigenaars hielden dapper vol dat het een poedel was. Dus, vooruit dan maar, dan deden we maar net of het een poedel was.

Toen het zomer werd …

Read More »BG 294 – Pipetje