BG 338 – De leerling
Uitkijkend over het open, groene en waterrijke polderlandschap woonde Jannes de schaapherder met zijn trouwe zwartwitte border collie Ian.
Ian was geen gewone herdershond. Hij was snel en slim en hij begreep zijn baasje nog voordat die uitgesproken was. Iedere morgen trokken de twee er samen op uit om de kudde te begeleiden door rustige natuurgebieden, langs historische slootkanten en over groene dijken.
Op een late ochtend in het vroege voorjaar, toen Jannes met zijn leren hoed op, zijn woeste baard, zijn hoge leren schoenen en zijn gevorkte herdersstaf over het terrein liep, zag hij dat er iets niet klopte. Een van de schapen ontbrak.
Hij telde opnieuw en kwam weer tot negenennegentig.
‘Kom op Ian,’ zei Jannes. ‘Laten we haar zoeken.’
Ian spitste zijn oren en hij schoot er vandoor, langs struikgewas en slootjes en over open weiden. Ze zochten de hele middag, maar het ontbrekende schaap was nergens te vinden. Toen de zon al begon onder te gaan, Jannes z’n maag begon te rammelen, en het stilaan tijd werd om terug te keren naar de stal, stond Ian plotseling stil. Hij hield zijn kop een beetje scheef en snuffelde aan de lucht. Toen schoot hij er vandoor.
‘Wacht op mij!’ riep Jannes.
Ian verdween in de verte. Jannes haastte zich …